De speurtocht van een klein leger

Voor zijn eigen museum roofde Hitler overal waardevolle kunst. De vroegere eigenaren proberen nu hun bezit weer terug te krijgen.

OOK MASSAMOORDENAARS hebben hun hobby's. Enkele van de grootste misdadigers van de vorige eeuw waren tevens de grootste verzamelaars van kunst. Neem Adolf Hitler, die naast miljoenen joden ook duizenden kunstwerken op transport liet stellen. Hitler droomde van een Führermuseum dat zelfs het Louvre in Parijs in zijn schaduw moest stellen. ,,Oorlogen komen en gaan, slechts de werken der menselijke cultuur blijven bestaan'', zou hij hebben gezegd.

Overal waar de Duitsers kwamen, kochten en confisqueerden ze kunstwerken die de Führer interessant zou kunnen vinden. Hitler hield vooral van oude Duitse en Nederlandse meesters. Ook andere nazi-kopstukken (Herman Göring, Martin Bormann) vonden naast hun drukke werkzaamheden voor het Derde Rijk nog tijd te collectioneren. Zo `kocht' Göring de collectie van de Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker, het bekendste geval van `oorlogskunst' in Nederland.

Ruim een halve eeuw na het einde van de Tweede Wereldoorlog is een klein leger van advocaten, historici en lobbyisten over heel de wereld bezig om gestolen of zoekgeraakte kunstvoorwerpen terug te vinden en terug te krijgen. Bijna dagelijks zijn er berichten over erfgenamen van verzamelaars die een schilderij opeisen; over musea die besluiten een werk terug te geven of dat juist weigeren. Bij de Commission for Art Recovery van het Joods Wereld Congres zijn claims van 130 families in 30 landen geregistreerd, zegt woordvoerster Constance Lowenthal. Daarbij gaat het duizenden kunstobjecten. Afgelopen zaterdag begonnen Duitsland en Rusland aan een omvangrijke ruil van in de oorlog geroofde kunst.

Hoe komt het dat er na zo'n lange tijd nog zoveel mensen bezig zijn met roofkunst – Beutekunst, zoals de Duitsers het noemen? Een voor de hand liggende verklaring is het grote aantal kunstvoorwerpen dat tijdens de oorlog zoekraakte; de nazi's namen tienduizenden kunstobjecten mee uit de landen die ze bezetten – vooral van joodse eigenaren. Toen Duitsland zelf werd bezet door Amerikanen, Engelsen en Russen verwisselden veel voorwerpen opnieuw van eigenaar. Met name de Russen gaven weinig om eigendomsrechten.

In de westelijke bezettingszones werden zogenoemde `Collecting Points' ingericht voor gevonden kunstvoorwerpen, onder meer in het voormalige nazi-hoofdkwartier in München. De ambtenaren van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) die daar gedetacheerd waren, stuurden ook wel eens een Nederlandse meester naar Nederland zonder dat er reden was aan te nemen dat het schilderij hier vandaan kwam. Van de circa 1.100 werken die de collectie-Goudstikker telde, vonden ze er 300 – waaronder schilderijen van Steen, Rubens en Van Ruysdael. Die gingen ook naar Nederland.

Er is nog een verklaring voor het feit dat `roofkunst' telkens opduikt: een veranderde kijk op het verleden. Na de oorlog was de houding `niet zeuren, we hebben allemaal geleden onder de oorlog'. De laatste jaren is het besef gegroeid dat de behandeling van vooral joden daardoor te wensen overliet. `Kil' was de houding, in de woorden van premier Kok. Dergelijke termen gebruiken ook de advocaten van Marei von Saher, de schoondochter van Goudstikker, die zijn schilderijen terugeist van de staat.

Jacques Goudstikker (1897-1940) was voor de oorlog één van Europa's meest vooraanstaande kunsthandelaren. In mei 1940 slaagde hij erin het land per boot te ontvluchten. Nog voor het schip Engeland bereikte, viel hij in een luik en overleed. Zijn medewerkers, die in Nederland waren achtergebleven, verkochten Goudstikkers schilderijen voor twee miljoen gulden aan rijksmaarschalk Göring. Goudstikkers weduwe probeerde de schilderijen na de oorlog tevergeefs terug te krijgen. De overheid stelde zich op het standpunt dat de kunstwerken vrijwillig aan de bezetters verkocht waren. In 1943 hadden de geallieerden afgesproken dat alles wat vrijwillig aan de Duitsers verkocht was, na de oorlog aan de staat, in dit geval Nederland, zou toevallen. In 1952 trof Goudstikkers weduwe een schikking met de staat: ze zag af van claims en mocht in ruil daarvoor het geld houden dat over was van de verkoop.

De topstukken uit de collectie-Goudstikker gingen naar musea en andere overheidsgebouwen, net als ongeveer vierduizend andere kunstvoorwerpen die de SNK naar Nederland stuurde. Die schilderijen hingen in de Nederlandse musea zonder dat iemand – een enkele conservator uitgezonderd – nog wist waar ze vandaan kwamen.

In Frankrijk ging het niet anders. De geschiedenis was daar ook vergeten totdat de journalist Hector Feliciano in 1995 zijn boek Le Musée Perdu (het verloren museum) schreef. Na de internationale aandacht voor joods goud in Zwitserland gingen ook journalisten in andere landen op onderzoek naar roofkunst. In Europa en Amerika volgden claims, meer publicaties, onderzoeken en congressen, en nog meer claims van mensen die niet wisten dat hun familiebezit in een museum hing. Of helemaal niet wisten wat hun familie bezeten had. Marei von Saher wist weinig van haar schoonvaders schilderijen, toen een journalist van het Algemeen Dagblad haar daar in 1997 naar vroeg. Nadat ze zich had laten informeren, besloot ze ze terug te eisen.

De toenmalige staatssecretaris Nuis van Cultuur wees haar claim af – hij vond dat de zaak na de oorlog al serieus bekeken was. Wel gaf hij opdracht tot een onderzoek naar de herkomst de oorlogskunst in Nederlandse musea. Dat onderzoek loopt nog, maar naar aanleiding ervan zijn wel al enkele kunstwerken teruggegeven aan families van de oorspronkelijke eigenaren.

December vorig jaar stelde ook het gerechtshof in Den Haag Marei von Saher in het ongelijk. Haar zaak lijkt juridisch niet sterk: het besluit van de Haagse rechter liet aan duidelijkheid weinig te wensen over. Niettemin kondigden haar advocaten in februari aan door te gaan. Dat was vlak nadat premier Kok zijn excuses had gemaakt aan de joodse gemeenschap. Als de erven Goudstikker de schilderijen ooit terugkrijgen, dan zal dat zijn op basis van morele argumenten en een nog verder veranderde kijk op het verleden.

ROOFKUNST