De Nieuwe Economie

De economie is een dynamisch gebeuren. Sommige sectoren sterven af, andere komen op. Oude ambachten verdwijnen en nieuwe beroepen verschijnen. Dit proces is al jaren gaande. Tal van vroeger bekende figuren zijn uit het straatbeeld verdwenen: de zelfbinder, de bovenkruier, de messenlegger, de puntenslijper, de melkkoker en dergelijken. Andere daarentegen hebben de tand des tijds doorstaan. Zo kennen wij nog steeds de hielenlikker, de blikopener, de verrekijker, de ruitenwisser, de ploertendoder en de flessentrekker.

Ook zijn er veel nieuwe beroepen bij gekomen: de deeltjesversneller, de wasverzachter, de informatiedrager, de aidsremmer, de zelfontspanner, de bodywarmer. Dit alles heeft grote sociale gevolgen.

Voor nieuwe beroepen als informatiedrager en huidprotector is een hogere scholing vereist dan voor oude functies als muggenzifter of schokbreker. In het onderwijs zal hieraan aandacht moeten worden besteed, want anders ligt het zo gevreesde gevaar van de tweedeling in de samenleving op de loer.

Dergelijke processen van economische verandering zijn niet nieuw. Ze zijn inherent aan de kapitalistische productiewijze. Schumpeter heeft in dit verband van `creatieve destructie' gesproken. Sinds enige tijd gaat het echter om iets anders en bestaat er een nieuw begrip: `de nieuwe economie'. Ook dat is op zichzelf niet verrassend. Wij hebben immers ook al de nouveaux philosophes, de nouveau roman en de nouvelle cuisine gehad, alsmede new left en new labour, nieuw links en nieuw flinks en nog veel meer nieuws.

Toch lijkt er met de nieuwe economie iets bijzonders aan de hand te zijn. Het kwam vroeger natuurlijk ook wel voor dat iemand die tien miljoen verlies leed, geen willig oor vond bij de afdeling kredietverlening, maar dat was dan toch eerder omdat dat te veel dan te weinig was. Tegenwoordig hoef je bij geen serieuze bank aan te komen als je niet minstens honderd miljoen gulden verlies lijdt. Er is dus kennelijk iets nieuws aan de hand, maar wat? Een bubble? Een transitie? Een revolutie?

Hypes en bubbles, beurshausses gevolgd door dramatische instortingen zijn er in de loop van de geschiedenis vaak geweest. Beruchte affaires uit de negentiende eeuw waren het Pincoffs-schandaal in Nederland en de ondergang van het Crédit Mobilier in Frankrijk. Beroemder nog waren twee min of meer gelijktijdige bubbles uit de achttiende eeuw: die van John Law in Frankrijk en de South Sea Bubble in Engeland. John Law was een Schotse financier die in Frankrijk actief was. Het vertrouwen in Law kende aanvankelijk geen grenzen. De aandelen van zijn ondernemingen stegen tot peilloze hoogte. Toen werd de zeepbel doorgeprikt. De aandelenkoers stortte in, het publiek bestormde zijn bank en Law vluchtte naar Venetië. De South Sea Bubble ontstond ongeveer in dezelfde tijd. Van de South Sea Company verwachtte men enorme winsten, omdat deze van Spanje het zogenaamde asiento, dat wil zeggen het monopolie van de slavenhandel met de Spaanse koloniën, had verworven. De aandelen vlogen omhoog, maar in 1720 stortte het hele kaartenhuis in elkaar.

Veel beroemder nog is de Tulpencrisis uit onze eigen Gouden Eeuw. Deze crisis vertoont qua achtergrond enkele opmerkelijke overeenkomsten met onze tijd. Het begon toen ook allemaal met een sterke stijging van de huizenprijzen, vooral in Amsterdam, en van de aandelenkoersen. Niet iedereen echter had genoeg geld om dure huizen te kopen of op de beurs te speculeren. Zo ontstond een eigentijdse vorm van volkskapitalisme, namelijk de tulpenhandel. Die leidde tot een enorme speculatie in `futures', in dit geval koop- en verkoopcontracten van tulpen. Simon Schama heeft het een `pastiche form of stockbroking' genoemd. Toen veel mensen tulpen moesten kopen zonder daar het geld voor te hebben en anderen tulpen moesten verkopen zonder deze te bezitten, stortte de boel in elkaar.

Speculatieve praktijken behoren kennelijk bij het kapitalisme, maar ze hoeven geen grote gevolgen te hebben voor de economie in haar geheel. Belangrijker is dan ook de vraag wat er in de echte economie aan de hand is, met andere woorden om wat voor verandering het gaat.

Hierover bestaan twee theorieën. De eerste is dat de overgang naar de `new economy' een echte economische revolutie is, vergelijkbaar met de industriële revolutie. Dat is de opvatting die bijvoorbeeld iemand als Maurice de Hond verkondigt. Erg waarschijnlijk is dit echter niet.

Er zijn in de hele wereldgeschiedenis maar twee echte economische revoluties geweest. Dat waren de agrarische revolutie van het neolithicum en de industriële revolutie. Het begrip `industriële revolutie' is overigens niet onomstreden. Sommige historici hebben een eerste en een tweede industriële revolutie onderscheiden, anderen een industriële en een pre-industriële revolutie en weer anderen willen helemaal niet van het begrip weten. Dat er, hoe en wanneer dan ook, in het verleden een overgang van een agrarische naar een industriële economie heeft plaatsgevonden, staat echter wel vast.

De huidige ontwikkeling lijkt niet zozeer op een structuurverandering als wel op een verandering binnen de bestaande economische structuur. Zulke veranderingen zijn er vroeger ook geweest, bijvoorbeeld met de opkomst van de spoorwegen. Dat proces leidde ook tot grote economische activiteit en belangrijke productiviteitsverhogingen. Tal van spoorwegmaatschappijen schoten uit de grond. Die spoorwegen gaven ook weer aanleiding tot speculatie.

Nieuwe sociale lagen gingen deelnemen aan het beurs- en effectenverkeer. De nieuwe speculanten waren vaak nog gretiger dan de oude. Er bestaat een beroemde parodie op dit verschijnsel in de vorm van het toneelstuk Les chemins de fer van Eugène Labiche. Hierin reist een nieuwe aandeelhouder met zijn gezin naar Parijs om `de coupon te knippen'. Hij is zo bezeten door de gedachte aan zijn dividend dat hij de spoorwegdirectie aanspoort de paraplu's uit de afdeling gevonden voorwerpen te verkopen om op deze wijze het dividend te kunnen verhogen.

Wat we in deze en dergelijke gevallen, zoals de opkomst van de auto, zien is een wildgroei aan ondernemingen die gevolgd wordt door een grote shake out. In 1900 waren er alleen in Parijs al meer dan veertig automobielfabrieken. Nu zijn er in heel Frankrijk nog maar drie of vier.

Zoiets zal met de internetbedrijven ook wel gebeuren. Een paar zullen overleven en vele zullen ten onder gaan. Enkele mensen zullen rijk worden, velen zullen geld verliezen. Zo is het altijd gegaan en economisch gezien is dat ook niet erg belangrijk. De werkelijke betekenis van zulke overgangen zit in de productiviteitsverhoging die ze met zich meebrengen. Dat deden de spoorwegen in de negentiende eeuw en dat doet de `nieuwe economie' nu.

    • H.L. Wesseling