De afkoopsommen voor een duister verleden

Zwitserland, Japan, Duitsland, Frankrijk, Engeland, in diverse landen woedt de discussie over het oorlogsverleden. En over de schuld die nog staat.

ADVOCAAT EDWARD FAGAN heeft onlangs zijn oog laten vallen op Japan. Dat zal zelfs voor hem een harde noot worden om te kraken. Maar goed, dat was Zwitserland ook. Meer dan drie jaar duurde het voordat de Zwitserse banken bereid waren om te betalen. In 1995 bood de toenmalige Zwitserse president excuus aan voor de laksheid van het neutrale land tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarna begon het getouwtrek over geld. En in 1998 waren de drie grote Zwitserse banken uiteindelijk bereid 2,5 miljard gulden neer te tellen om voorgoed van het gezeur af te zijn.

Japan is Zwitserland niet. Als er één land is dat na 1945 moeilijk heeft gedaan over de erkenning van de eigen schuld aan het oorlogsleed, is het wel Japan. Bovendien heeft Fagan nu geen krachtige joodse lobby achter zich staan. Maar Fagan weet als geen ander partijen in de VS te mobiliseren om zijn prooi onder druk te zetten. Op 7 december vorig jaar op Pearl Harbor – gevoel voor symboliek kan de advocaat niet worden ontzegd – opende Fagan namens slachtoffers van de Japanse agressie een gezamenlijke rechtszaak tegen onder meer Mitsubishi en Nippon Steel, die krijgsgevangenen zouden hebben gebruikt als dwangarbeiders.

Wellicht zal het met de Japanse bedrijven gaan zoals het met al die andere grote firma's is gegaan. Ze zullen een tijd lang iedere betrokkenheid ontkennen, met uitvluchten die variëren van `wij hadden niets met de oorlog te maken' tot `we hadden geen keuze' en `onze regering was verantwoordelijk'. Geleidelijk zal dit standpunt onhoudbaar blijken, in archieven zullen bewijzen opduiken van misdragingen. De bedrijven gaan vrezen voor gezichtsverlies en voor een boycot van hun producten door Amerikaanse consumenten. In arren moede zullen ze besluiten tot onderhandelen. En uiteindelijk zullen ze inzien dat het afkopen van hun duistere verleden verstandiger is dan het risico nemen van een slepend proces. Zo althans is het tot nu toe steeds gegaan.

De methode was succesvol bij banken (die gretig beschikken over nooit opgeëiste bankrekeningen van holocaust-slachtoffers), verzekeringsmaatschappijen (die nooit de levensverzekeringen van slachtoffers hebben uitgekeerd) en industriële bedrijven (die gevangenen inzetten als goedkope arbeidskrachten). Ja, zelfs bij staten die zich inlieten met de agressor.

Het is nauwelijks nog relevant of een land al dan niet aan de goede kant stond. Zwitserland bijvoorbeeld was tijdens de Tweede Wereldoorlog neutraal. De Zwitserse regering hamerde er de afgelopen jaren op dat het land tijdens de oorlog als een klein, door vijanden omringd eilandje geen andere keuze had. Maar het mocht niet baten. Het land had willens en wetens tienduizenden joodse vluchtelingen aan de grens teruggestuurd. En bovendien hadden banken en bedrijven massaal geprofiteerd van handel met de nazi's – tot op de dag van vandaag. Ze beschikten over `slapende' rekeningen van slachtoffers, waarvan de nabestaanden, als die er al waren, het bestaan niet wisten.

Zwitserland had het de afgelopen jaren het moeilijkst. Vijftig jaar na dato viel nauwelijks nog uit te leggen waarom het neutrale land zaken bleef doen met de nazi's – overigens bleven op het hoogste niveau ook Britse en Amerikaanse bankiers in gesprek met hun nazi-collega's.

Landen als Frankrijk en Nederland konden zich aanvankelijk verschuilen achter de bezetting: de Duitse bezetter was verantwoordelijk geweest voor de misdragingen. In Frankrijk, dat het heulen van het Vichy-regime met de nazi's maar niet onder ogen wilde zien, was dit een uitermate hypocriet argument. Vorige maand kwam een regeringscommissie eindelijk met de conclusie dat in Vichy ,,fel'' en ,,zeer systematisch'' van joden is geroofd. In totaal zou het gaan om een bedrag van zo'n 2,8 miljard gulden, waarvan het overgrote deel kort na de oorlog is teruggegeven.

Zelfs de Britten, de triomfantelijke bevrijders, blijken redenen te hebben om zich te schamen. Zo werden tijdens de oorlog alle bezittingen van vijand Duitsland geconfisqueerd, ook die van Duitse joden die vluchtten voor Hitler. Pas heel recent is dit onrecht erkend en is er een compensatiefonds.

Duitsland heeft zijn schuld vanaf het begin ruiterlijk erkend en de financiële consequenties daarvan aanvaard. Meer dan honderd miljard mark is er sinds 1945 betaald aan iedereen die kon aantonen dat hem of haar onrecht was aangedaan. Zoveel, dat bondskanselier Helmut Kohl een paar jaar geleden de maat vol achtte en zijn hakken in het zand zette toen nieuwe slachtoffers aanklopten en geld eisten voor de tijd dat ze onder dwang in de Duitse industrie hadden gewerkt. Kohls opvolger Gerhard Schröder begreep dat ook dit een verloren strijd was en ging onderhandelen. Vrijwel zeker komt er zo'n tien miljard mark beschikbaar voor de dwangarbeiders of hun nabestaanden.

Degenen die moeten betalen, hebben zich de afgelopen jaren afgevraagd waarom ze juist nu aan de schandpaal zijn genageld. Waarschijnlijk was het een toevallige samenloop van omstandigheden. Als katalysator diende de vijftigste herdenking in 1995 van het einde van de oorlog, wat leidde tot een nieuwe stroom publicaties en verslagen van ooggetuigen. Bovendien was op dat moment het IJzeren Gordijn net opengegaan. Uit Oost-Europa kwamen dramatische verhalen van nazi-slachtoffers die nooit een cent hadden gezien voor het leed dat hun was aangedaan. Duitsland had ook de Oost-Europese landen vergoedingen betaald, maar dat geld was in de communistische mist verdwenen. De gewijzigde Oost-West-verhoudingen leidden bovendien tot nieuwe ideeën over een internationale rechtsorde – zie ook het Rwanda- en het Joegoslavië-tribunaal. Moest dan niet ook schoon schip worden gemaakt met het eigen verleden?

Inmiddels zijn de meeste bedragen bekend en de uitbetaling is soms begonnen. Onduidelijk is vaak waar het geld terecht moet komen. Alleen als het gaat om individuele claims, zoals van nabestaanden die kunnen aantonen dat een slapende rekening van een familielid was, is dat duidelijk. Vaak ligt het niet zo eenduidig, veel geld is ook bedoeld als compensatie voor het onrecht dat `de' joden is aangedaan.

Joodse organisaties nemen graag het beheer van de fondsen op zich. Dat heeft tot verdeeldheid geleid binnen de organisaties zelf en tot beschuldigingen dat zij verdienen aan oorlogsleed. `De prijs van de holocaust' kopte The Economist vorig jaar in een commentaar waarin `de zucht naar compensatie', de ambitie van politici op jacht naar verkiezingswinst en de eerzucht van advocaten die een percentage van het binnengesleepte geld krijgen `smakeloos' werd genoemd. Wordt zo recht gedaan aan degenen die hebben geleden onder de naziterreur?

De bejaarde joods-Letse vrouw die eind 1997 als eerste geld ontving uit een Zwitsers fonds – genoeg, liet ze destijds weten, om eindelijk een wasmachine aan te schaffen – zal dat een zorg zijn.

BUITENLAND