`Bevolking O-Europa zal met eenderde dalen'

De geboortecijfers zijn in Oost-Europa de afgelopen tien jaar zover gedaald dat de bevolking er in 2050 met éénderde zal zijn afgenomen. Dat schrijft de VN-organisatie UNECE (UN Economic Commission for Europe) in een rapport over de demografische ontwikkelingen in Oost-Europa. In het rapport wordt alarm geslagen over de grote daling van de geboortecijfers na 1989. Om een bevolking stabiel te houden moet de gemiddelde vrouw in haar leven 2,1 kinderen krijgen. Als dat gemiddelde lager uitvalt, is sprake van een afnemende bevolking. In 1998 was dat getal voor heel Oost-Europa 1,3 kinderen, met Letland (1,09) en Bulgarije (1,11) als uitschieters. In de vroegere DDR kreeg de gemiddelde vrouw (in 1993) nog slechts 0,76 kind.

De trend heeft zich de afgelopen tien jaar voorgedaan in alle Oost-Europese landen, inclusief de ex-Sovjet-republieken en die van het vroegere Joegoslavië.

Volgens de UNECE is de daling van het geboortecijfer de afgelopen twee jaar verflauwd en in sommige landen is nu sprake van een licht herstel. Maar het in tien jaar geslagen `gat' kan niet worden gedicht. ,,Alle landen van Oost-Europa zullen in 2050 een daling van de bevolking te zien geven. Zelfs als het tot een lichte verbetering komt, is het waarschijnlijk dat de bevolking dan éénderde lager ligt (dan in 1989)'', aldus het rapport.

De overgang naar een markteconomie is overal gepaard gegaan met een grote daling van de produktie en inflatie. De levensstandaard liep spectaculair terug, de werkloosheid steeg, lonen en pensioenen daalden en de bestaansonzekerheid nam toe. De kosten van levensonderhoud stegen sterk, ook die van het grootbrengen van kinderen. Al die factoren brachten veel Oost-Europeanen ertoe van kinderen af te zien.