Vragen

Dat was een mooi idee van het Joods Historisch Museum om burgemeester Schelto Patijn van Amsterdam in het openbaar te laten praten met kinderen van de joodse basisschool Rosj Pina. Dit ter gelegenheid van de jaarlijkse kinderherdenking in de Hollandsche Schouwburg, ooit een belangrijk theater in de Plantagebuurt, maar vooral berucht geworden als verzamelplaats van de nazi's, vanwaar 60.000 tot 80.000 joden, inclusief kinderen, op transport zijn gesteld naar de kampen.

Daar zaten we dan op deze, wat je noemt schuldige, plek. In een zaaltje boven het kleine museum in de Hollandsche Schouwburg schoof Patijn aan bij zo'n 25 leerlingen en hun begeleiders. Aan de ene kant van de tafel de jongens, met keppeltje op, aan de andere kant de meisjes. Ze mochten Patijn vragen wat ze wilden.

Wat zich onder dat dak aan familiegeschiedenissen had verzameld, zou met geen pen te beschrijven zijn. Alsof je het verdriet van de wereld op één velletje moest samenvatten. Patijn, zelf geen jood, was niet te benijden, maar hij is een sociaal vaardig mens en hij vindt snel de goede toon. Vriendelijk, warm en zonder valse sentimentaliteit ging hij op alle vragen in.

Daar waren gemakkelijke, maar ook zéér moeilijke vragen bij, zoals hij zelf meteen vaststelde. De gemakkelijke betroffen zijn eigen herinneringen aan de oorlog. Drieëneenhalf jaar, een peuter nog, was hij geweest bij het uitbreken van de oorlog. Zijn vader was ambtenaar in Amersfoort en had op den duur moeten onderduiken. Dat was zijn naarste herinnering aan de oorlog: ,,De angst dat ze mijn vader vonden.'' Er was een razzia geweest, drie grote soldaten waren hun huis binnengedrongen. ,,Waar is uw man?'' hadden ze zijn moeder gevraagd. ,,Naar zijn werk'', had ze gelogen. Hij was net naar de buren gevlucht.

Een van de vragen luidde: hoe zou Patijn zich als burgemeester opstellen in een nieuwe wereldoorlog? ,,Ik zou weggaan als ik de inwoners van mijn stad niet meer zou kunnen helpen.''

Toen kwam Nicolai met de lastigste vraag. Hij was haar in zijn zenuwen eerst vergeten, maar opeens wist hij haar weer. ,,Waarom waren er zoveel joden in Amsterdam geregistreerd, zodat er meer joden dan elders in Europa konden worden vermoord?'' Die vraag werd, in iets andere bewoordingen, nog tweemaal gesteld. Het was natuurlijk ook een vraag van de ouders. De stroom van, vaak ontluisterende, publicaties de laatste jaren over dit onderwerp maakt het tot een onvermijdelijke vraag.

Wat moest Patijn ermee? Hij antwoordde voorzichtig. Dat Denemarken veel meer joden had kunnen redden, kwam ook omdat men ze gemakkelijker naar Zweden kon laten vluchten. ,,Wij hadden geen bevriend buurland.'' En: ,,Er zijn moedige mensen, die altijd helpen, maar de meeste mensen durven dat niet.'' Dat was dichter bij de waarheid, maar nog niet dicht genoeg. De collaboratie van de politie, de onnodige plichtsgetrouwheid van veel ambtenaren Patijn liet het rusten. Tegenover deze kinderen had hij daar iets opener over kunnen zijn.