Lockerbie: elf jaar na de klap het proces

Ruim elf jaar nadat een Amerikaanse Boeing 747 boven het Schotse plaatsje Lockerbie tot ontploffing kwam, zijn twee verdachten vanmorgen voor de rechtbank geleid. De verdachten komen uit Libië, de rechters uit Schotland, en de locatie is in Nederland – het resultaat van uitgebreid onderzoek en politiek getouwtrek.

Op woensdagavond 21 december 1988 om drie minuten over zeven, een half uur na vertrek van het Londense vliegveld Heathrow, komt aan Pan Am vlucht 103 met bestemming New York een apocalyptisch einde. In het luchtruim boven het Schotse plaatje Lockerbie, op een hoogte van ongeveer tien kilometer, rijt een explosie de Boeing 747 uiteen. Alle 259 passagiers – de meesten Amerikanen die kerst thuis wilden doorbrengen – en bemanningsleden aan boord van de Clipper Maid of the Seas komen om. Plus nog eens elf mensen in Lockerbie zelf.

Binnen een week wordt bevestigd dat de ramp is veroorzaakt door een bom van semtex die was verstopt in een Toshiba cassetterecorder in een koffer. Van meet af aan wordt de speurtocht naar de daders (waarbij een belangrijke rol is weggelegd voor de Amerikaanse CIA en FBI) omgeven door geheimzinnigheid. Zo blijkt achteraf dat al op 5 december, ruim twee weken voor de ramp, de Amerikaanse ambassade in Helsinki telefonisch was gewaarschuwd voor een bomaanslag op een vliegtuig van Pan Am, onderweg van Frankfurt naar de Verenigde Staten. Ook waren al binnen enkele uren na de ontploffing onbekende Amerikaanse functionarissen ter plaatse die, naar later bekend werd, tussen de wrakstukken een half miljoen dollar borgen van zes CIA-agenten aan boord van het toestel.

Het onderzoek

Aanvankelijk leidt het spoor naar een extremistische splintergroepering van de PLO onder leiding van Ahmed Jibril, die mogelijk in opdracht zou hebben gehandeld van een van de Syrische geheime diensten. Jibril komt in het vizier omdat de Duitse politie twee maanden voor de ramp 15 leden van zijn organisatie had gearresteerd op verdenking van terrorisme. In de kofferbak van een auto werden drie Toshiba-recorders gevonden, elk voorzien van een bom die op grote hoogte moest ontploffen. Ook wordt geopperd dat Jibril de aanslag heeft gepleegd in opdracht van Iran – als wraakneming voor de 290 omgekomen inzittenden van een Iraanse vliegtuig dat op 3 juli 1988, volgens Washington per ongeluk, door de Amerikaanse kruiser Vincennes boven de Golf werd neergeschoten.

Maar in 1991 verschuift de aandacht van Washington en Londen naar Libië – volgens critici om politiek-opportunistische redenen omdat de VS en Groot–Brittannië na de Iraakse inval in Koeweit (augustus 1990) Syrische en Iraanse steun respectievelijk neutraliteit nodig hadden in de confrontatie met Saddam Hussein. Voor dat hogere doel worden, zeggen de critici, vroegere terroristische acties van Iran en Syrië vergeten en wordt het Libië van Gaddafi tot zondebok gemaakt. Overigens had Gaddafi wel reden om zich op het Westen te willen wreken: in 1986 voerden de VS met Britse steun luchtaanvallen uit op militaire doelen in Tripoli en Benghazi uit wraak voor een aan Libië toegeschreven aanslag op een door Amerikanen bezochte disco in Berlijn.

Op 14 november 1991 wordt tegelijkertijd in Edinburgh en in Washington bekendgemaakt dat twee mannen die worden omschreven als agenten van de Libische geheime diensten Abdel Baset Ali Mohammed el-Megrahi en Al-Amin Khalifa Fhima in staat van beschuldiging worden gesteld. Zij hebben, zo luidt de aanklacht, op de ochtend van die fatale 21ste september bewerkstelligd dat de koffer met bom, voorzien van valse labels, op de Maltese luchthaven Luqa aan boord van een toestel van Air Malta werd gebracht met bestemming Frankfurt. In Frankfurt werd de koffer overgeladen op een toestel van Pan Am met bestemming Londen, en op Heathrow kwam de koffer uiteindelijk terecht in het ruim van de Boeing 747 die boven Lockerbie ontplofte.

Het diplomatieke getouwtrek

Groot-Brittannië en de VS, die afspreken dat de verdachten in de VS of in Schotland terecht moeten staan, vragen Tripoli op 27 november 1991 formeel om de uitlevering van het tweetal. De Verenigde Naties nemen op 21 januari 1992 een resolutie aan waarin Libië wordt opgeroepen om medewerking te verlenen aan het onderzoek. Als Libië blijft weigeren kondigen de VN op 31 maart 1992 een luchtvaart- en wapenembargo af tegen Libië, in november 1993 uitgebreid met andere sancties zoals de bevriezing van tegoeden bij buitenlandse banken.

In de loop van de jaren negentig worden verschillende initiatieven ondernomen om uit de impasse te komen. Zo is er het voorstel van Robert Black, hoogleraar Schots recht aan de universiteit van Edinburgh, om het proces te houden in een neutraal land volgens de regels van het Schotse strafrecht. Na diplomatieke inspanningen van secretaris-generaal Kofi Annan, de Arabische Liga en de Zuid-Afrikaanse president Nelson Mandela stellen Londen en Washington aan Libië voor de twee verdachten in Nederland te berechten onder Schots recht. In ruil voor opheffing van de VN-sancties gaat Tripoli hiermee akkoord. Op 5 april 1999 wordt het tweetal met een vliegtuig van de VN overgebracht naar Nederland.

De ommezwaai van Gaddafi, die altijd heeft gezegd zelf niet te weten of de beklaagden schuldig of onschuldig zijn, roept vraagtekens op. In de onderhandelingen met Libië hebben de VS en Groot-Brittannië verduidelijkt dat het Lockerbie-proces niet ten doel heeft Gaddafi's regime te berechten, doch alleen de twee verdachten. VN-topman Kofi Annan zou dat in een vertrouwelijke brief hebben bevestigd. Die toezegging is belangrijk omdat daarmee voor Gaddafi de weg werd vrijgemaakt om de verdachten uit te leveren, zonder het gevaar te lopen zelf in de beklaagdenbank terecht te komen.

De verdachten

Beide verdachten, die vastzitten in Kamp Zeist, hebben formeel verklaard onschuldig te zijn. Het gaat om:

Abdel Basset Ali-al Megrahi. (48). Hij was in december 1988 hoofd operaties van Libyan Arab Airlines op het Maltese vliegveld Luqa. Hij werd geboren in Tripoli, is getrouwd en heeft twee kinderen. Volgens sommige bronnen was hij directeur van het Centrum voor strategische studies in Libië. Hij ontkent voor de Libische inlichtingendiensten te hebben gewerkt

Al Amin Khalifa Fhimah. (44). Hij werkte voor Libyan Arab Airlines als veiligheidsmanager op het vliegveld Luqa. Hij werd geboren in Suk Giuma, is getrouwd en heeft vijf kinderen. Hij ontkent net als zijn medeverdachte betrokkenheid bij de Libische geheime dienst.

Het proces

Het proces zal onder leiding van drie Schotse rechters worden gevoerd volgens de regels van het Schotse recht met één afwijking: er is geen jury. Het Schotse rechtssysteem stelt buitengewone strenge eisen aan bewijsvoering en schuldigverklaring, en laat bijvoorbeeld anders dan in de VS nauwelijks ruimte voor circumstantial evidence (indirect bewijs). In het onderzoek zijn in totaal ongeveer 15.000 getuigen gehoord en 180.000 bewijsstukken verzameld, maar bij deskundigen bestaat twijfel of er voldoende harde bewijzen zijn. Een aanwijzing dat de bewijsvoering moeilijk zal worden, is volgens sommigen het besluit van hoofaanklager Lord Hardie om zich afgelopen februari plotseling terug te trekken. Zijn rol is overgenomen door Colin Boyd.

Tijdens het proces zal een een groot aantal getuigen worden gehoord, onder wie al dan niet onherkenbaar gemaakte agenten van de CIA, van de voormalige Oost-Duitse Stasi en andere geheime diensten. Enkele getuigen die de bewijsvoering van de aanklager kunnen maken of breken, zijn:

Abdel Majid Jiacha: deze naam gebruikt de rechtbank om een Libische agent aan te duiden die naar de VS is overgelopen. Hij heeft verklaard dat zijn vroegere collega's in een speciaal opleidingscentrum in de Libische woestijn oefenden om semtex in een Toshiba-recorder Malta binnen te smokkelen. En hij heeft beweerd te hebben gezien dat een van de verdachten de koffer met de bom op een transportband voor bagage heeft gelegd.

Edwin Bollier: eigenaar van het Zwitserse elektronicabedrijf MEBO, fabrikant van het tijdmechanisme waarmee de bom tot ontploffing werd gebracht. Hij vertelde aanvankelijk 20 van dergelijke tijdklokken aan Libië te hebben verkocht, maar herinnerde zich later ook te hebben geleverd aan onder andere de vroegere Oost-Duitse inlichtingendienst die terroristische groeperingen in Europa van materieel voorzag.

Toni Gauci: Eigenaar van de boetiek Mary's House op Malta. Hij heeft verklaard dat de verdachte el-Megrahi op 7 december 1988 in zijn winkel kledingstukken heeft gekocht, die volgens de Lockerbie-onderzoekers in de koffer zaten met de bom. Maar hij heeft ook anderen aangewezen.

Mohammed Abu Talb: een in Egypte geboren Palestijn die in Zweden een levenslange gevangenisstraf uitzit wegens terroristische bomaanslagen. Hij bezocht Malta in oktober 1988. Zijn naam werd in verband gebracht met Lockerbie nadat de politie bij een inval in zijn appartement een dagboek aantrof met daarin de datum 21 december 1988 omcirkeld.

    • Wim Brummelman