EU maakt terecht geen haast met uitbreiding

De uitbreiding naar het Oosten die de Europese Unie voor ogen staat zal, wanneer deze op korte termijn zou plaatshebben, averechts werken. Niet alleen voor de kandidaat-lidstaten maar ook voor de EU als geheel, meent Peter Groenendijk.

In zijn artikel `EU moet niet talmen met uitbreiding' (NRC Handelsblad, 19 april) stelt Dominique Moïsi dat de Europese Unie een te defensieve houding aanneemt tegenover uitbreiding naar het Oosten. Moïsi stelt dat de uitbreiding voor de huidige Europese lidstaten `niet meer als de voleinding van een nobel, ambitieus streven (geldt), maar steeds meer als een onaangenaam corvee'. Volgens hem dreigt de defensieve houding van de EU `krachtige anti-Europese gevoelens' in Midden-Europa op te roepen. ,,Een Europa dat op zoek is naar nieuwe energie kan en mag zich niet uitsluitend richten op consolidatie van wat er al was alvorens tot de vorming van een nieuwe `harde kern te komen'. [...] Uit de recente, niet bepaald geestdriftige woorden die voorzitter Prodi van de Europese Commissie over deze kwestie heeft gesproken [...], blijkt eens te meer het bestaan van een zich verwijdende emotionele kloof tussen de Unie en haar gefrustreerde `aspirant-leden'.''

Het is echter maar de vraag of de huidige houding van Europa ten opzichte van uitbreiding naar het Oosten `defensief' kan worden genoemd. Het is de vraag of de houding van de huidige lidstaten er niet eerder een is van gezond geduld. Ook is het de vraag of Europa zich inderdaad slechts richt op `consolidatie van wat er al was'. En zijn de anti-Europese gevoelens die in Midden-Europa dreigen te ontstaan reden om meer haast te maken met uitbreiding van de Europese Unie?

In oktober vorig jaar was het juist Prodi die zich sterk maakte voor het kandidaat-lidmaatschap van Turkije. En in januari van dit jaar presenteerde de Europese Commissie haar ideeën om de Unie gereed te maken voor uitbreiding met dertien lidstaten. Deze concrete daden duiden erop dat de EU het belang van uitbreiding naar het oosten inziet. Het waren niet de eerste tekenen die dit inzicht aantoonden. In 1998 werd nog gesteld dat landen moesten aantonen aan de criteria voor deelneming te kunnen en willen voldoen (met betrekking tot inflatie, financieringstekort en staatsschuld), voor zij voor deelname in aanmerking kwamen. Maar twee jaar later werden al onderhandelingen geopend met landen als Tsjechië, Polen en Hongarije, die met inflatiecijfers van boven de tien procent nog lang niet aan die eisen voldeden. Ook voor de Europese Unie is duidelijk dat wanneer deze landen zelfstandig de genoemde criteria moeten zien te behalen, het risico bestaat dat zij juist verder van die criteria verwijderd raken.

Bovendien is een kandidaat-lidmaatschap niet het enige middel om landen te helpen dichterbij Europa te geraken. Vorige maand werd tijdens de donorconferentie in Brussel besloten tot de financiering van ruim 220 concrete projecten in het gebied ter waarde van 1,8 miljard euro. De Europese Commissie maakt zich sterk voor een investering van ruim twaalf miljard euro voor de komende zes jaar. Ook wil Eurocommissaris Patten verschillende douanetarieven voor producten uit Balkanlanden afschaffen.

Door al te snel besluiten tot uitbreiding van het aantal lidstaten zou de Europese Unie zichzelf voorbij lopen. Ten eerste zouden daarmee te hoge verwachtingen worden gewekt bij de nieuwe lidstaten; verbetering van infrastructuur, betere opleidingen voor ambtenaren en steun voor onafhankelijke media zijn voorbeelden van hulp die een constructieve bijdrage op de lange termijn kunnen bewerkstelligen. Ten tweede kan snelle uitbreiding de Europese Unie maken tot een log apparaat, waarin het nemen en uitvoeren van beslissingen grote vertragingen oploopt. J.H. Sampiemon waarschuwde al eerder in deze krant voor de ontwikkeling van de EU tot een `opgetuigde vrijhandelszone waarin de verscheidenheid aan niveaus, belangen en ideeën te groot zal zijn om de grote stap vooruit te zetten naar een wereldmacht-in-wording'. De Europese Unie heeft nu eenmaal meer doelen dan het vergroten van haar reikwijdte. En voor die doelen, zoals vredeshandhaving, milieumaatregelen en criminaliteitsbestrijding, is snelle besluitvorming een must. Ten derde kunnen de onvermijdelijke economische offers, die de huidige lidstaten moeten brengen om snelle uitbreiding te bewerkstelligen, leiden tot verminderde draagkracht onder de bevolking van de EU.

In dit verband is het goed zich te herinneren dat dat Europa wat dat betreft nog altijd een wankele basis heeft. Veel bewoners van lidstaten zijn nog altijd niet overtuigd van het nut van vergaande Europese samenwerking, nog afgezien van eventuele economische offers die gebracht moeten worden. Het is dit gevaar waaraan Prodi refereerde, toen hij vorige maand tot geduld maande ten aanzien van uitbreiding. Prodi zei overigens ook dat de publieke opinie in zowel de huidige als de toekomstige lidstaten gerust moet worden gesteld.

Want natuurlijk heeft Moïsi gelijk met de bewering dat de huidige crises in Midden-Europa kunnen leiden tot anti-Europese gevoelens. Voor de zwakste broeders onder de kandidaat-lidstaten, zoals Roemenië en Bulgarije, kan dat zelfs betekenen dat de huidige, pro-Europese regeringen binnenkort het lid op de neus zullen krijgen. De verkiezingen in die landen, respectievelijk in het najaar van 2000 en medio 2001, zullen dan ook cruciale momenten zijn in de toenaderingspogingen van die landen tot de EU.

Die bedreigingen mogen voor de Europese Unie echter geen redenen zijn om te veel haast te maken met uitbreiding naar het Oosten. Uitbreiding van het aantal lidstaten op korte termijn zal uiteindelijk averechts werken, niet alleen voor de kandidaat-lidstaten, maar ook voor de EU als geheel. Veel beter is het om deze landen via gerichte financiering te ondersteunen in hun strijd voor betere economische omstandigheden. Pas dan kan uitbreiding de gewenste effecten hebben.

Peter Groenendijk is freelance-journalist.