CPNB levert Boekenweek uit aan literair flitskapitaal

Met de keus voor Rushdie als auteur van het Boekenweekgeschenk heeft de CPNB zich `geprofileerd' als exponent van de internationale bestseller-cultuur. Ze verloochent zo haar bescheiden taak, vindt Sjoerd de Jong.

Het creëren van een literaire hype is een vak apart. Het vergt het uiterste aan coördinatie, inzet en vermogen tot psychologische zelfontbranding van zowel de betrokken uitgever en schrijver, de doorgaans halfhartig deelnemende journalisten, als van het grote publiek, dat uiteindelijk met de voeten naar de kassa stemt over het welslagen van de hype.

In New York liep op een vrijdagavond in april vorig jaar de spanning dan ook hoog op, in de hotels waar de Nederlandse journalisten zich ophielden die waren uitgenodigd voor een geheime ontmoeting met de schrijver Salman Rushdie. De kantoren van Midtown Manhattan liepen al leeg, het neon van Times Square floepte aan, maar de infanteristen van Nova en NRC Handelsblad wachtten nog steeds nerveus op `final directions' naar de `undisclosed location' waar ze na het tekenen van een `embargo statement' de auteur zouden mogen ondervragen over zijn nieuwste boek. Samen met collega's en cameraploegen uit elf andere landen, dat wel. Want ook dáár zou The Ground Beneath Her Feet simultaan in vertaling worden `gelanceerd'. Als klap op de vuurpijl zou Rushdie, op een wederom onbekende locatie in New York, in het openbaar verschijnen temidden van ongeveer evenveel beroemdheden als bij een Oscar-uitreiking. De geheimzinnigheid die de media blitz rond Rushdie's boek toen omgaf, was officieel vooral ingegeven door de angst dat een Iraans moordcommando of een eenzame fanaticus Khomeiny's fatwa tegen de auteur van De Duivelsverzen alsnog tot uitvoer zou willen brengen. Maar het deed de publiciteit natuurlijk ook geen kwaad. Drukker dan over Iraanse moordcommando's werd in elk geval in New York gespeculeerd op de komst van de leden van U2, de Ierse popgroep, met wie Rushdie bevriend was, die hem ooit op het podium haalden in het Wembley stadion en die nu een toepasselijk nummer hadden geschreven op basis van teksten uit zijn nieuwe boek. Helaas, ze kwamen niet optreden. De cd met het nummer `The Ground Beneath Her Feet' is inmiddels wel verschenen.

Salman Rushdie is, zoals de campagne in New York duidelijk maakt, een groot auteur. Nu eens niet in de zin van briljant en meesterlijk – hoewel hij dat zeker ook is – maar in een veel zakelijker betekenis. Deze schrijver is een internationale reus, een gigant, een ster, bijna een merknaam. Salman Rushdie is big, zoals Tom Cruise dat is, of Madonna. Een literaire Top Gun.

Deze schrijver is daarom te groot voor Nederland, zou je denken, zoals Cruise te groot is voor Zusje, of Madonna om een podium te delen met Anouk. Maar dat is de afgelopen maand een misrekening gebleken. Juist Rushdie, zo maakte de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB), trots bekend, heeft toegestemd in het verzoek het Boekenweekgeschenk voor het jaar 2001 te schrijven. Een oplage van 700.000 met gegarandeerde afname was zelfs voor hem onweerstaanbaar. Het thema van de Boekenweek werd gemakshalve voor hem op maat gesneden: `schrijven tussen twee culturen'.

Sindsdien is het gemor niet van de lucht in literair Nederland. Aanvankelijk enthousiasme over dit klinkende wervingssucces van de CPNB wordt inmiddels getemperd door bedenkingen van zowel principiële als meer cultureel-politieke aard. Moet een Boekenweek niet per definitie worden bekroond met een geschenk door een Nederlandse auteur? Is de keus voor Rushdie, gegeven het thema van de boekenweek, geen affront voor Nederlandse schrijvers van allochtone afkomst?

Die vragen zijn terecht, maar uiteindelijk bijkomstig; ze missen de kern van de zaak. Met de keus voor Rushdie heeft de CPNB zich namelijk `geprofileerd' (ook een hoogst noodzakelijke vaardigheid voor wie een hype wil maken) als een organisatie die niet in de eerste plaats de Nederlandse letteren een warm hart toedraagt, maar die een exponent wil zijn van een mondiale bestsellercultuur. Een literaire monocultuur, met andere woorden, wat een nogal wrang licht werpt op het `multiculturele' thema van de komende Boekenweek.

In de internationale uitgeverij is, sinds de fusie- en overnamegolf van de jaren tachtig en negentig, een proces van uniformering en stroomlijning op gang gekomen, waardoor schrijvers die eenmaal groot zijn ook steeds groter zullen worden. De uitgeverij maakt hetzelfde proces van professionalisering en globalisering door dat zich in de popmuziek heeft voltrokken: amateurisme en kleinschaligheid, met kwaliteit en integriteit als hoogste criteria, worden vervangen door grootschalige planning, productie en promotie van mondiale handelswaar. De belangen die gemoeid zijn met `de nieuwe Stephen King', `de nieuwe Tom Clancy', en ook met `de nieuwe Rushdie', zijn dermate groot, dat niets meer aan het toeval wordt overgelaten.

Met die rationalisering en schaalvergroting, en de voortdurend opgewekte honger naar bestsellers, is de omloopsnelheid van een boek zo hoog geworden, dat een uitgever ook wel gek zou zijn om na publicatie van een mogelijke hit achterover te leunen en eerst eens af te wachten wat de lezers ervan vinden. Smaak is maakbaar, en zulke ouderwetse onschuld is tegenwoordig een doodzonde. Zelfs kwaliteitsuitgeverij Querido liet onlangs, maar half ironisch, T-shirts drukken om de nieuwe (roman van) Doeschka Meijsing te promoten.

De qua doelstelling beperkte CPNB (Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, immers) staat blijkens de keus voor Rushdie te trappelen om zich te voegen in de wereld van het literaire flitskapitaal. Een teken aan de wand is dat de stichting het thema van de boekenweek heeft bepaald nadát de auteur bereid was gevonden zich te laten contracteren. We kunnen Rushdie krijgen, dus het thema wordt: `schrijven tussen twee culturen'. Een aanpak die getuigt van een zeer plooibare Hollywood-mentaliteit: eerst kopen we de ster, en daarna rollen we de meest geschikte rode loper voor hem uit.

Ook het schouderophalende onbegrip waarmee kritiek op de keus voor Rushdie wordt afgedaan als provinciaalse spelbrekerij, hoort bij die frisse cultus van het superlatief. In een applauscultuur is kritiek per definitie negatief, ongewenst, en aan dovemansoren gericht. Het is toch fantástisch, dat we Rushdie `kunnen krijgen'? Dat zal best, maar de niet-retorische vraag die zich opdringt, is eerder: wie krijgt hier wie?

De CPNB is een stichting voor de propaganda van het Nederlandse boek. Wie zich een dergelijk bescheiden doel stelt moet daar voor durven staan, ook als de grote-mensenwereld lokt, en moet geen servet als tafellaken willen verkopen. Het argument dat ook een vertaling een Nederlands boek is – waarmee de keus voor Rushdie alsnog zou zijn gerechtvaardigd – is al te opportunistisch om te overtuigen. Ook het telefoonboek is een Nederlands boek.

Rushdie zelf toonde zich vorig jaar in New York overigens ongemakkelijk met het etiket world novels dat wel op zijn boeken wordt geplakt. ,,Het suggereert een soort onthechtheid die mij niet bevalt'', zei hij. ,,Het heeft iets van high brow airport novels.'' Inderdaad, de term suggereert de degradatie van literatuur tot een makkelijke en onderhoudende aanschaf op elk internationaal vliegveld, van Kopenhagen tot Kuala Lumpur.

Hoe pijnlijk ook, dat is precies de cultuur ten dienste waarvan de CPNB zich met de keus voor hem als auteur heeft gesteld.

discussie www.nrc.nl