Verbouwd museum mikt op jeugd

Het bevrijdingsmuseum in Groesbeek is ingrijpend verbouwd. Het heeft meer aandacht voor moderne technieken.

De laatste tegels worden recht gelegd, de laatste rommel opgeveegd. De officiële opening is in september, maar het Bevrijdingsmuseum in Groesbeek is al zo goed als verbouwd. En daar zijn ze, als ,,zaakwaarnemers van het verleden'', in het museum heel trots op.

Nationaal Bevrijdingsmuseum 1944 – 1945, zo heet het nu officieel. Na een ingrijpende verbouwing, die in oktober begon, is het museum ,,klaar voor de toekomst'', oordeelt directeur W. Lenders. De uitbreiding is onderdeel van een beleidsplan dat Lenders na zijn aantreden in 1998 opstelde. Hoofddoel van het plan: meer bezoekers trekken. In plaats van de huidige 26.000 moeten er over vijf jaar 45.000 mensen naar Groesbeek komen.

Hoe trek je meer bezoekers? Door het museum te actualiseren, door meer gebruik te maken van moderne technieken. Op die manier wordt ook de jeugd meer aangesproken. Jongeren vormen voor Lenders een noodzakelijke doelgroep nu het aantal veteranen en mensen dat de oorlog nog heeft meegemaakt, snel afneemt.

Maar er was nóg een reden voor uitbreiding en verbouwing. We zaten toch wat met een mentale millenniumbug, zegt Lenders. ,,Na de jaarwisseling zou de Tweede Wereldoorlog plotseling iets van de vorige eeuw zijn, afstandelijker worden. Dat zou het moeilijker maken de bevrijdingsgeschiedenis vorm te geven. Maar ik heb het altijd beschouwd als een uitdaging. Vandaar ook dat beleidsplan. We moesten veel meer uit de kast halen om te kunnen overleven.''

De verbouwing kostte 1,8 miljoen gulden, afkomstig van provincie, gemeenten en ideële stichtingen. Het museum draait met een budget van 350.000 gulden per jaar. Het Bevrijdingsmuseum werd in 1987 geopend.

De permanente collectie omvat drie perioden: de jaren 1918-1940, het interbellum met de opkomst van het nationaal-socialisme; de jaren 1940-1944, de jaren van bezetting; 17 september 1944-5 mei 1945, de bevrijding. In de loop van de jaren breidde de collectie zich evenwel zo uit, dat het museum zich genoodzaakt zag wisselexposities in te richten. ,,De nieuwbouw is ook nodig om de collectie goed te kunnen herbergen'', zegt Lenders.

De uitbreiding omvat een grote tentoonstellingsruimte, een educatieve zaal en een depotruimte in een nieuw, brandvrij souterrain. In de vloer van de nieuwe expositieruimte zijn `kijkgaten' gemaakt waardoor bezoekers de stukken in het depot kunnen zien staan. Ideetje van Lenders. Daarnaast worden de kantoorruimte, de museumwinkel en de ontvangsthal uitgebreid en wordt de rest van het museum heringericht. Het museum wordt in totaal 2.500 vierkante meter, een uitbreiding met 700 vierkante meter.

Lenders geeft hoog op van zijn nieuwe museum, dat grotendeels draait op het werk van zo'n tachtig vrijwilligers. ,,Alle zintuigen worden ingezet. Je ruikt de kruitdampen en de aangebrande melk uit de oorlogsjaren, je hoort het glasgerinkel van de Kristallnacht. Er is muziek, er is interactie. Vooral voor de jeugd wordt het op die manier een ontdekkingstocht.'' Voor de jongeren staan er pc's waarop informatie kan worden opgezocht en er zijn cd-roms. ,,In de educatieve zaal staan multimediale toepassingen; zo kunnen ze op gezette tijden chatten met veteranen.''

Het museum wordt geen pretpark, zegt Lenders bij herhaling, al moet hij concurreren met Intratuin op zaterdag en de binnenstad van Nijmegen op de koopzondagen. Hij wenst zijn principes niet overboord te zetten: ,,Een museum is geslaagd als het in staat is de geschiedenis te laten herbeleven. We zijn zaakwaarnemers van de geschiedenis. We hebben de plicht het verleden te duiden.''

Dat is dan ook de reden dat het museum-nieuwe-uitvoering meer aandacht besteed aan zaken als discriminatie, racisme en fascisme in algemene zin. ,,Er is natuurlijk een relatie tussen de Tweede Wereldoorlog en hedendaagse discriminatie. Daar willen we ook wat over zeggen, met name tegen de jeugd.''

Zo'n museum, denkt Lenders, heeft zeker bestaansrecht. ,,Wij zijn in die zin uniek.''

    • André Ritsema