Techniek

De Duitse schrijver Ernst Jünger, die de triomf van de technologie beschreef, schreef ook dat hij zelf genoeg zou hebben aan de stand van de techniek die in Alexandrië was bereikt. Hij bedoelde het Alexandrië van de tweede eeuw voor Christus.

De geavanceerde techniek waarover men daar beschikte stond in dienst van theatrale effecten. Tempeldeuren die automatisch opengingen als het vuur op het altaar werd aangestoken, en weer dicht als het vuur doofde. Automaten die zich in religieuze toneelstukken als vanzelf bewogen op wielen met houten banden.

De geleerde aan wie ik deze beschrijving ontleen, Sigfried Giedion, schreef dat er niets bekend is over een nuttig economisch gebruik van deze technieken. De Grieken in Alexandrië hadden hun wagens met koopwaren sneller kunnen laten rijden, maar dat deden ze niet. Uit hun automaten stroomde wijwater, maar een commercieel exploiteerbare frisdrankenautomaat zetten ze niet neer. Waarom niet? Voor het echte werk hadden ze slaven.

Dat van die slaven schreef ik niet op omdat ik weet dat het waar is. Ik denk eigenlijk dat het niet waar is, of een grove overdrijving. Ik schreef het omdat het een zin is die bij een modern mens bijna automatisch opkomt. We kunnen ons niet voorstellen dat een hoog ontwikkelde technologie alleen voor esthetische effecten werd gebruikt en niet voor het nut, en daarom verzinnen we een pseudo-verklaring die we kunnen begrijpen, in dit geval de slaven.

Hoeveel techniek zou ik zelf nodig hebben? Ik ben gehecht aan de technologie die bestond toen ik een kind was. Om even af te dalen in de prehistorie: er waren boeken, kranten, treinen, auto's, elektriciteit, telefoon, radio, grammofoon. Wat later in mijn leven kwam, te beginnen met de televisie, vind ik eigenlijk onnodig.

Er zijn een paar uitzonderingen. Huisverwarming door aardgas wil ik niet missen. Ook de computer niet, maar alleen in zijn functie als tekstverwerker. Een harde schijf van twintig megabyte zou me meer dan voldoende zijn.

Ik denk dat het vaker voorkomt dat mensen de techniek van hun kindertijd als vanzelfsprekend beschouwen en alles wat later kwam als overbodige aanstellerij. Iemand voor wie het ook geldt, is de voormalige uitgever Martin Ros.

Er stond anderhalve week geleden een interessant artikel van Mariëlle Osté in de Volkskrant over nieuwe technieken in de uitgeverswereld. Het boek-op-bestelling bijvoorbeeld. Zo'n boek bestaat in eerste instantie alleen elektronisch en pas als iemand een boek bestelt wordt het, in zeer korte tijd, gedrukt en gebonden. Het bestond al een tijdje op kleine schaal, maar nu hebben ook de groten zich er meester van gemaakt: ,,Tijdens de Boekenweek bewees De Bijenkorf hoe goed dat kan: men printte ter plekke in het warenhuis op reusachtige Xerox-lasers het Bijenkorf-geschenk Een slaapwandeling. Mét een persoonlijke opdracht. Voilà: een Hugo Claus on demand. Niet te onderscheiden van traditioneel drukwerk.''

Sommige boekwinkels van de Amerikaanse keten Barnes & Noble hebben het ook al. De klant komt binnen, bestelt een boek dat niet voorradig is, en binnenkort zal het nog maar een uur duren voor een exemplaar ter plekke vervaardigd is.

Het is een technische ontwikkeling die me voor de verandering nu eens met grote vreugde vervult. De dode zielen van de internationale uitgeversgiganten zullen er misschien garen bij spinnen, maar wat het meest in het oog springt zijn de mogelijkheden voor het individu.

De kleine schrijver zal niet meer te horen krijgen dat zijn boek te duur is om uit te geven, want de kosten van opslag bestaan niet meer en drukken en binden begint pas als een klant zich heeft gemeld. Als een uitgever het toch nog te duur vindt, kan de schrijver zijn boek tegen geringe kosten zelf uitgeven.

De traditionele functies van een uitgever blijven natuurlijk bestaan. Hij bouwt een fonds op dat vertrouwen wekt bij gelijkgezinden, hij redigeert, geeft het boek een mooi uiterlijk en hij verwent de schrijvers die hij bewondert. Maar als het echt moet, kan de schrijver ook zonder hem.

W.F. Hermans moest de eerste druk van zijn Mandarijnen op zwavelzuur zelf uitgeven. Het ging, maar het was een herculisch karwei dat hij niet graag zou herhalen. En bovendien, Hermans was toen al vrij beroemd. In de toekomst zal het makkelijker zijn, ook voor schrijvers die niet beroemd zijn.

En de uitgevers zullen verlost zijn van de helse dwang die maakt dat er best-sellers moeten komen en dat al het andere na een paar maanden in het niets verdwijnt. Het boek-op-bestelling hoeft niet in de ramsj, het is altijd leverbaar.

Voor de kleine boekhandel is het ook goed nieuws, want die krijgt tegenover de grote ketens een betere concurrentiepositie als hij niet meer alles in voorraad hoeft te hebben. In de kasten zet hij de boeken die hij zelf bijzonder mooi vindt en de rest laat hij op verzoek in zijn winkel door de wondermachine in elkaar zetten.

Van de uitgevers die in het artikel in de Volkskrant werden aangehaald, was Martin Ros de enige die er niets in zag. Als iedereen zijn eigen boek kan uitgeven, levert dat bergen rotzooi op, zei hij op de televisie.

Dat is ongetwijfeld waar, maar hij is wel een extreem voorbeeld van iemand die de techniek van zijn eigen jeugd als de gouden standaard beschouwt.

Je kan je een middeleeuwse monnik voorstellen die huiverde bij de gedachte aan de bergen rotzooi die de boekdrukkunst zou opleveren. Zou hij het werk van Martin Ros als voldoende rechtvaardiging van de boekdrukkunst beschouwen? Of, laat ik niet kinderachtig zijn, dat van een krantencolumnist? Ik begrijp die monnik en zijn angsten, maar met innige tevredenheid kijk ik naar mijn boekenkasten en ik denk: het was het waard.

    • Hans Ree