Sloterdijk slaat door in mediakritiek

Het humanisme is dood en moderne samenlevingen verwilderen in hoog tempo. Over die alarmistische boodschap van de filosoof Peter Sloterdijk is terecht opwinding ontstaan, vindt Peter de Bruijn.

De Duitse filosoof Peter Sloterdijk lijkt het filosofische kooigevecht dat hij is aangegaan met zijn vroegere leermeester Jürgen Habermas, publicitair te winnen. Sloterdijk kwam vorig jaar in opspraak nadat een in kleine kring gehouden voordracht, `Regels voor het mensenpark', in de pers terechtkwam. De eerste krantenberichten meldden dat Sloterdijk een pleidooi had gehouden om gentechnologie te gebruiken voor het kweken van een nieuwe Übermensch. Dat was het begin van de affaire-Sloterdijk in Duitsland, waar de herinneringen aan de eugenetica van het Derde Rijk nog altijd leven.

Sloterdijk is een filosoof die geobsedeerd wordt door de werking van de massamedia en goed weet hoe publiciteit functioneert. Hij sloeg meteen hard terug. Hij koos in ingezonden brieven in Die Zeit voor een strategie van onfrisse ad hominem-aanvallen op de betrokken journalisten en op de man die volgens hem het vuur op de achtergrond aanwakkerde: Habermas, de denker die de democratie en de Westbindung van de Bondsrepubliek na 1945 van een theoretisch fundament voorzag. De kritiek op zijn rede getuigde volgens Sloterdijk van typisch Duits `hypermoralisme', waarbij achter elke boom een fascist wordt vermoed. Tegelijkertijd nam hij een flink deel van de implicaties van wat hij had betoogd terug, terwijl hij zich aan de andere kant beriep op de noodzaak van `gevaarlijk denken'. Deze onverenigbare elementen moesten er gezamenlijk voor zorgen dat iets van de modder die naar hem was gegooid, aan de moddergooiers zelf zou blijven kleven, zoals Sloterdijk openlijk aangaf. De filosoof als spin doctor.

Het heeft gewerkt, want de storm is gaan liggen. Sloterdijk was vrijdagavond in De Rode Hoed in Amsterdam om het eerste exemplaar van de Nederlandse vertaling van zijn voordracht in ontvangst te nemen en in debat te gaan met een bevriende collega-filosoof, Rüdiger Safranski. Het werd een rustig voortkeuvelend gesprek. Er was een groot en opmerkelijk jong publiek op afgekomen, dat het Sloterdijk niet erg moeilijk maakte. Ook waren veel literatoren in de zaal: Harry Mulisch, Cees Nooteboom, Margriet de Moor, Nelleke Noordervliet en Dirk van Weelden. Maar de schrijvers voelden helaas niet de behoefte zich in het debat te mengen.

Wat heeft Sloterdijk in zijn controversiële toepraak precies betoogd, als we de spin laten voor wat het is? Het is ondanks het filosofische jargon niet moeilijk zijn gedachtegang te volgen. Samenlevingen worden volgens Sloterdijk gekenmerkt door de fundamentele botsing tussen de `remmende' invloed van de hoge cultuur en de `ontremmende' invloed van de massamedia. De mens is volgens hem van nature geneigd tot alle kwaad. Alleen de beschavende invloed van het humanisme kan die impulsen in toom houden. Maar volgens Sloterdijk is het humanistische tijdperk ten einde gekomen. Dat is veroorzaakt door de moderne massamedia, die de verwildering van de mens juist aanjagen. ,,De literaire cultuur volstaat niet meer om een telecommunicatieve band te smeden tussen de bewoners van een moderne massamaatschappij'', concludeert hij somber. Elk beschavingsoffensief is volgens hem een illusie. We worden omringd door de ,,alledaagse bestialisering van de mens in de media van het ontremmend amusement.'' De oude Romeinen met hun ,,naar de toekomst wijzende amusementsindustrie van de bloedige spelen'' hebben daarvoor model gestaan, aldus Sloterdijk.

Hij sluit hier aan bij een algemener gevoel van onbehagen over de media, zoals dat ook werd vertolkt door CDA-leider De Hoop Scheffer. Sloterdijk is een soort De Hoop Scheffer on acid, met zijn in extremis doorgevoerde kritiek op de funeste invloed van de massacultuur. Hij staat in een oude Duitse traditie van cultuurpessimisme, extreme kritiek op de democratie, elitedenken, en angst voor de massa. Een denker over de democratie als Habermas komt daar terecht tegen in het geweer.

Sloterdijks alarmisme is namelijk niet ongevaarlijk. Bij een doemscenario horen radicale oplossingen. Zijn wanhoop over het functioneren van de massamaatschappij en de futiliteit van het humanisme, is precies de achtergrond van zijn omstreden oproep om na te denken over het nut van gentechnologie. Dat zou volgens Sloterdijk weleens het laatste redmiddel kunnen zijn om de mens te `temmen'. Daarnaast is de stap klein van mediakritiek naar onmatige kritiek op het functioneren van de pers. Dat blijkt uit Sloterdijks uithalen naar kranten die over zijn toespraak berichtten. De berichtgeving in Die Zeit noemde hij `waanzinnig' en `decadent'. Met zijn inktzwarte beeld van de media is ook de stap naar de roep om censuur niet groot, hoewel Sloterdijk dat zelf niet doet.

Maar heeft Sloterdijk dan misschien gelijk? Nee, je kunt met evenveel recht betogen dat dankzij de media juist meer mensen deelgenoot kunnen worden aan het beschavingsideaal van het humanisme dan ooit tevoren. Een voorbeeld. In Engeland staan de Essays van Montaigne (1533-1592) momenteel hoog in de bestsellerlijsten, dankzij een Britse televisieserie over de `troost van filosofie'. Sloterdijks mediakritiek is dus tenminste eenzijdig. Tegenover elke Menno Buch staat een Wim Kayzer. Met zijn vergelijking van de massamedia met antieke amfitheaters, lijkt Sloterdijk ten prooi te zijn gevallen aan de postmoderne psychose, waarin de patiënt geen onderscheid meer kan maken tussen realiteit en fictie. Dat in het Colloseum echt mensen werden verscheurd en in horrorfilms wordt gedaan alsof, ontgaat hem.

Het wordt nog vreemder als Sloterdijk zich buigt over de geschiedenis. Hij schrijft: ,,Ook in de tragische titanenstrijd van het midden van deze eeuw tussen bolsjewisme, fascisme en amerikanisme stonden – vanuit Heideggers optiek – enkel drie varianten van hetzelfde antropocentrische geweld en drie kandidaten voor een humanitair opgesmukte wereldheerschappij tegenover elkaar – waarbij het fascisme zich onderscheidde door openlijker dan zijn concurrenten blijk te geven van zijn verachting voor remmende vredes- en vormingswaarden.'' Met de toevoeging ,,vanuit Heideggers optiek'', toont Sloterdijk zich voorzichtig. Maar door Heidegger niet expliciet te weerspreken, terwijl hij andere elementen van diens denken wel kritiseert, suggereert hij impliciet dat hij het met Heideggers visie eens is.

Sloterdijk deelt zo liberale democratie, communisme en fascisme in dezelfde categorie in. Met die (morele) equivalentie komt hij in heel merkwaardig vaarwater terecht. Dat is niet het resultaat van sympathie voor het fascisme dat hij als een gevaarlijke, `ontremmende' kracht beschouwt; net als de media, waarbij onduidelijk is of hij fascisme en media zo aan elkaar gelijkstelt. Zijn stellingname is juist een gevolg van zijn diepe angst voor heroplevend fascisme, gecombineerd met een veel te brede definitie van dit fenomeen, en radicale kritiek op het functioneren van de moderne democratie.

Elke suggestie van racisme is in het geval-Sloterdijk niet gerechtvaardigd. Sloterdijk heeft ook gelijk dat hij in zijn toespraak slechts een oproep heeft gedaan om na te denken over de toepassingen van gentechnologie. Hij heeft geen pleidooi gehouden om al op grote schaal genetisch te gaan sleutelen. Maar uit zijn betoog valt wel op te maken, welke kant dat denken volgens hem op zou moeten gaan. Zijn latere, plotselinge verklaring dat hij de grens trekt ,,tussen legitieme, genmedische optimalisering voor individuen en illegitieme biopolitiek voor groepen'', slaat, in het licht van de strekking van zijn gehele betoog, nergens op. De wenkbrauwen zijn in Duitsland niet zonder reden gefronst.

Peter de Bruijn is redacteur van NRC Handelsblad.