Meer ingenieurs door apart vak techniek in basisvorming

Techniek moet als volwaardig vak in de basisvorming worden gehandhaafd. De leerlingen vinden het leuk en de samenleving vraagt praktisch-creatieve mensen, menen Cor de Beurs en Rob Knoppert

De overheid is als de zee: zij geeft en zij neemt. Terwijl het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen enerzijds vele miljoenen besteedt om meer leerlingen in het voortgezet onderwijs te interesseren in techniek, is dit departement anderzijds van plan het vak techniek in de basisvorming om zeep te helpen. Dat is zonde omdat het verspillen van eerder besteed geld is. Dat is zonde wegens de behoefte van de maatschappij aan jonge mensen met een beta-opleiding. Dat is zonde omdat zoveel leerlingen genieten van de lesuren in het technieklokaal.

In 1993 startte als onderdeel van de basisvorming het nieuwe vak techniek. Een curriculum – dat is wat geleerd moet worden – werd op papier gezet. Leraren verwierven via spoedcursussen een bevoegdheid. Scholen richtten speciale technieklokalen in. Lesmethodes werden geschreven en gedrukt. Samen met het vak verzorging leverde techniek de belangrijkste vernieuwingsimpuls in de basisvorming. Sinds het inspectierapport van vorig jaar geldt de basisvorming als mislukt. Het mislukken slaat vooral op het feit dat zo weinig is veranderd. De invoering van techniek vormt daarop een uitzondering.

Ten tijde van de invoering werd het vak dikwijls meesmuilend afgedaan als een cursus bandplakken. Het is daarom nuttig nog eens uit te leggen wat het vak wel inhoudt. In de lessen techniek speelt de leerling op voor hem passende schaal ingenieur. Dat betekent dat hij zich bezighoudt met ontwerpen, met het zoeken en vinden van technische oplossingen voor hem voorgelegde problemen, zoals drie opdrachten laten zien:

1. De leerlingen – meestal werken zij in tweetallen – krijgen de opdracht een systeem te ontwerpen waardoor auto's automatisch voldoende onderlinge afstand op de snelweg houden. Als materiaal krijgen zij lego en bijpassende computerapparatuur ter beschikking.

2. De leerlingen demonteren (van thuis meegebrachte) huishoudelijke apparaten zoals een walkman, een scheerapparaat, een mixer, een strijkijzer. Na demontage bevestigen zij de onderdelen als een `exploded view' op een houten ondergrond en zetten er naambordjes bij. Daarnaast maken ze een schriftelijk werkstuk over de werking, de geschiedenis en de vormgeving van het apparaat.

3. De leerlingen moeten een brug van stevig papier bouwen waarover een dinkytoy over een kloof van 50 centimeter kan rijden.

Het vak techniek is dus iets heel anders dan de betavakken zoals natuur- en scheikunde. Die zijn gericht op onderzoek, bij die vakken houden leerlingen zich op eenvoudig niveau bezig met wetenschap. Techniek is door haar aard een meer praktisch vak, zoals de ingenieur ook een praktischer mens is dan de doctorandus.

Vorig jaar bracht de inspectie rapport uit aan de staatssecretaris over de basisvorming. Er werd flink wat kritiek geleverd, kritiek onder meer op de overladenheid van het programma, mede veroorzaakt door het grote aantal vakken. Dat leidt ertoe dat de leerling les krijgt van een groot aantal leraren. Het ministerie wil er wat aan doen en overweegt onder andere het samenvoegen van vakken. Er is een woord voor bedacht: er worden leergebieden gevormd.

Er is het voorstel natuurkunde, scheikunde en techniek samen te voegen tot één vak. De samenvoeging van natuur- en scheikunde is een oud idee. Officieel bestaat er in de basisvorming slechts één vak natuur-/scheikunde maar in de praktijk wordt vooral in havo-vwo-afdelingen het vak nog steeds gegeven door twee docenten, een natuurkunde- en een scheikundeleraar. Integratie van deze vakken zou een uitstekend idee zijn. Maar wordt techniek erbij gevoegd dan gaat verloren wat is opgebouwd. De natuur-/scheikundeleraar die ook technieklessen zou gaan verzorgen zal meestal geen bevoegdheid en weinig affiniteit met het vak techniek hebben. Hij is er niet aan gewend leerlingen te begeleiden die aan het ontwerpen, uitvinden en construeren zijn. Hij blijft in zijn eigen natuur-/scheikundevaklokaal en de nieuw ingerichte technieklokalen zullen leeg staan.

Dit is een slecht scenario nu een tekort dreigt aan technisch-opgeleiden in Nederland. De technische universiteiten kampen met afnemende aantallen studenten, het bedrijfsleven maakt zich ongerust. Om dit probleem op te lossen heeft de overheid enkele jaren geleden veertig miljoen gulden uitgetrokken voor de bevordering van beta- en techniekstudies, geld dat in samenwerking met het bedrijfsleven beheerd en uitgezet wordt door de stichting AXIS. Het is zonneklaar dat het nuttig is leerlingen in de periode dat zij gaan kiezen voor vervolgopleiding en beroep, goed kennis te laten maken juist met het vak techniek. Niet alleen in Nederland wordt er zo over gedacht. Techniek is of wordt ingevoerd in de Verenigde Staten, Engeland, Duitsland en Frankrijk, maar ook in landen als Australië, Israel en Zuid-Afrika.

Er is een ander argument voor het behoud van techniek. Leerlingen vinden het vak leuk. Het meeste onderwijs op de middelbare school is nog steeds sterk gericht op leren. Niet voor niets wil staatssecretaris Adelmund vmbo-leerlingen de gelegenheid geven naast hun school te werken. Voor een grote groep leerlingen is het een feest bezig te kunnen zijn met het zoeken van oplossingen voor concrete problemen, zoals in de technieklessen gebeurt. Om ervoor te zorgen dat dit relatief nieuwe vak niet aan status inboet, is het daarbij gewenst dat afsluiting middels door de overheid verplicht gestelde toetsen blijft bestaan.

Omdat veel techniekleraren meer dan één bevoegdheid hebben, is de techniekleraar meestal geen onbekende die de leerlingen slechts een enkele les per week ziet. Wil men het aantal docenten voor de klas verminderen, dan is het samenvoegen van de natuur-/scheikunde met biologie een meer voor de hand liggende weg. Er is al een lange traditie van natuuronderwijs in Nederland, hoewel het slechts door weinig scholen is ingevoerd. In Engeland onder andere is science, zoals daar de mix van natuur-, scheikunde en biologie wordt genoemd, een algemeen verbreid vak. Bij het vak science zouden leerlingen leren de wereld te begrijpen, terwijl ze bij techniek (in Engeland design & technology) vooral leren hoe ze de wereld kunnen veranderen. Leerlingen met een praktisch-creatieve belangstelling – die het liefst leren door te doen – moeten de kans krijgen hun talenten te ontplooien. Die kans wordt ze met techniek geboden.

Cor de Beurs is voorzitter van de vereniging van techniekdocenten Vedotech en projectleider van Techniek 15+; Rob Knoppert is gepensioneerd leraar.