Geertsema waarschuwde Kok

n de zitting 1970-'71 hebben de regering en de Kamers eindeloos gedebatteerd over de omvang van het koninklijk huis – zonder eruit te komen. De Grondwet van 1972 droeg de regeling aan de wetgever op, maar de wet waarin de materie uiteindelijk geregeld zou worden, liet door tegenstellingen tussen koningin Juliana en de ministers van tenminste drie kabinetten meer dan twaalf jaar op zich wachten. Het geschil ging kort samengevat over de vraag hoeveel leden van de koninklijke familie tot het koninklijk huis met staatsrechtelijke status zouden worden gerekend, en hoeveel er buiten zouden vallen. De ministers voorzagen een extra belasting van de ministeriële verantwoordelijkheid en wilden in verband daarmee het aantal leden met officiële status zo klein mogelijk houden.

De fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer mr. W.J. Geertsema zette in de parlementaire discussie de toon met een krachtig pleidooi voor de emancipatie van die erfopvolgers die slechts een theoretische kans op de troon hadden. Hoe meer de wat verder van de troon af staande leden van de koninklijke familie de gelegenheid zouden krijgen zich maatschappelijk als gewone burgers te ontplooien, hoe minder last zij van de ministeriële verantwoordelijkheid zouden ondervinden – en de ministers van hen. De prinsen moesten volgens hem werk kunnen kiezen dat bij hun talenten paste, maar de regering hoefde daarvoor geen verantwoordelijkheid te dragen. Hoe meer prinsen met gewone betrekkingen men echter tot het koninklijk huis zou rekenen, des te meer politieke problemen de regering zich op de hals zou halen.

In het licht van die waarschuwing ligt het in de rede de vraag te stellen waarom de regering de wettelijke goedkeuring aanhangig heeft gemaakt voor het huwelijk van prins Bernhard junior met Annette Sekrève. De eerste kennen we als de zoon van prinses Margriet en mr. Pieter van Vollenhoven, zijn aanstaande vrouw kennen we niet, maar als het parlement zijn zegen geeft aan dat goedkeuringsontwerp, dan is ook zij van dat moment af lid van het koninklijk huis, dat wil zeggen iemand bekleed met een officiële, zij het onomschreven, staatsrechtelijke status. Dan is de kring van leden van het koninklijk huis niet verder verkleind, maar weer met een lid uitgebreid.

Die vraag klemt temeer, omdat Bernhard jr volgens menselijke berekeningen niet meer dan een tijdelijk erfopvolgingsrecht heeft. Zijn kansen hangen geheel van de huwelijksvooruitzichten van zijn neef Willem-Alexander af. Volgens de grondwettelijke erfopvolgingsregeling (art. 25 Grondwet) komt Bernard jr niet meer voor erfopvolging in de zijlinie in aanmerking zodra Willem-Alexander en zijn vrouw kinderen krijgen (ook vandaag nog een van de hoofddoelstellingen van koninklijke huwelijken) en de kroon in rechte lijn overgaat. Op dat moment raken alle Van Vollenhovens van de nieuwe generatie hun plaats op de opvolgingsladder kwijt.

De regering heeft zich bij deze uitbreiding van de kring door een wat al te simpele logica laten leiden. Omdat het huwelijk van zijn broer Maurits met Marilène van den Broek vorig jaar ook onder parlementaire goedkeuring is gesloten, kon zij Bernhard jr die procedure niet weigeren. Alle volgende verzoeken zullen op die grond dan eveneens moeten worden toegestaan. Dat naar mijn mening niet erg verstandige beroep op een precedent kan de regering politiek duur komen te staan. Hoe groter de regering de kring van het koninklijk huis maakt, des te meer last zij ervan zal ondervinden. Prins Bernhard jr is mededirecteur van een bedrijf dat internetdiensten ontwikkelt. In die sfeer zijn bedrijfsongelukken, van welke soort ook, aan de orde van de dag. Het bedrijf van de prins (niet eens hijzelf) hoeft maar één keer betrokken te raken bij een beursschandaal en Leiden is in last. Als de ministeriële verantwoordelijkheid op zo'n moment wordt geactiveerd (of dat gebeurt hangt geheel van de Kamer af), kan premier Kok zich er niet met het excuus van af maken dat de in opspraak geraakte prins te ver van de troon staat om daar verantwoordelijkheid voor te nemen. In plaats van de prins aan te moedigen parlementaire goedkeuring voor zijn huwelijk aan te vragen, had hij er verstandiger aan gedaan hem die wens uit het hoofd te praten.

Dat brengt mij op een minder bekende bepaling van de Grondwet, die gewoonlijk geen aandacht krijgt, maar die in de lopende discussie over de positie van het koningschap tenminste een voetnoot waard is. Dat is de bepaling die toeziet op de omstandigheid dat de koning overlijdt en een opvolger ontbreekt. Volgens een oude Engelse zegswijze gaat de koning nooit dood. Of de koning sterft of aftreedt, volgens de regels van de erfopvolging is er altijd een koning. Voor de regering betekent dat een kopzorg minder. Als het grondwettelijke erfopvolgingssysteem zijn werk doet, hoeft ze zich nooit met het probleem van een koningskeuze in te laten.

Toch sluit de Grondwet een koningskeuze niet uit. Art. 30, 2e lid, houdt met die eventualiteit rekening. ,,Indien bij overlijden van de koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt'', worden de kamers ontbonden en komen de nieuwe kamers in verenigde vergadering bijeen ,,ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een koning''.

De Grondwet schrijft een koningskeuze niet dwingend voor. De Kamers kunnen ook besluiten geen koning te kiezen. Dat grondwetsartikel maakt dus een democratische koningskeuze mogelijk. Als de erfelijke machinerie geen opvolgers meer beschikbaar heeft wordt de keuze door het parlement beslist. Een dergelijke mogelijkheid moet gepaard gaan met een verkiezingscampagne, waarin het koningschap wordt uitgemaakt tussen, zeg, Wim Kok, prof.mr. I.A. Diepenhorst, Max van der Stoel en minister Jorritsma. Het ligt voor de hand dat bekende politieke figuren zich daarvoor kandidaat zullen stellen, maar in principe kan elke lezer van deze krant zich voor het koningsambt kandidaat stellen – en ook gekozen worden.