Dag van de Arbeid

IN NEDERLAND heeft de Dag van de Arbeid nooit veel betekend. De arbeidersbeweging is hier relatief vroeg en effectief `ingegroeid'. Zelfs ter linkerzijde van de PvdA, die in 1995 bij monde van premier Kok haar `ideologische veren' heeft afgeschud, is het daags na de steeds losbandiger Koninginnedag rustig geworden. Er wordt her en der hooguit een plichtmatige bijeenkomst gehouden, een `ludieke actie' gevoerd, een enkel strijdlied uit de oude doos gezongen of een paar partijpolitieke messen geslepen, zoals fractievoorzitter Melkert gisteren in Vlissingen deed met zijn duit in het zakje over de besteding van de meevallers van de welvaart.

Elders gaat de traditie van de Eerste Mei dieper. In talloze landen – van Zimbabwe en Ecuador tot Moskou en New York – is gisteren al dan niet gewelddadig gedemonstreerd. Ook dichterbij, in West-Europa, is de dag niet onopgemerkt voorbijgegaan. In Italië gingen kerk en vakbeweging voor het eerst in de geschiedenis voor in een vreedzame openluchtmis plus popconcert. Paus Johannes Paulus II waarschuwde daar voor de globalisering van de economie, pleitte voor mondialisering van de solidariteit en riep staten of mensen die in grote weelde leven, op de schulden van de armste landen te delgen. In Duitsland, Zwitserland en Groot-Brittannië kwam het op de Dag van de Arbeid tot schermutselingen tussen betogers en politie. In Duitsland kan men de klok daarop gelijkzetten. Eén mei is er al langer een alibi voor extreem-links én extreem-rechts om met elkaar op de vuist te gaan. In Londen waren de rellen minder vanzelfsprekend. Activisten sloopten daar een vestiging van McDonald's en bekogelden de ambtswoning van premier Blair.

DE RELLEN zijn onaangenaam en kostbaar, maar daarmee op zichzelf nog geen reden ongerust te worden. De toon van de protesten begint echter wel een grootste gemene deler te krijgen. Sinds de ongeregeldheden in Seattle tijdens de vergadering van de Wereldhandelsorganisatie manifesteert zich een curieuze coalitie tegen de globalisering van economie en cultuur. De motieven van de opposanten zijn niet onder één noemer te brengen. Sommigen komen de straat op uit klassiek-linkse dan wel radicaal-anarchistische overwegingen. Anderen nemen deel uit onvrede over de mondiale dominantie van MTV en Hamburger, bekommeren zich louter om de ontwikkelingslanden die niet meer kunnen voldoen aan de eisen van hun crediteuren en het IMF of eisen een economische stap terug ter wille van het milieu. Gezamenlijk vormen deze protestanten geen beweging. Ze hebben geen programma en al helemaal geen politieke macht. Maar daar lijkt het ook niet om te doen te zijn. De nieuwe opposanten zijn vooral tégen. Ze willen duidelijk maken dat zij niet meer mee willen doen.

TOT NU TOE is hun resonans minimaal. De economische groei in met name de postindustriële wereld schept nu al jaren bijna aan de lopende band banen. De oude tegenstelling tussen kapitaal en arbeid, de strijd tussen hoge hoed en pet die de aanleiding was voor de eerste Eerste Mei in 1886 in Chicago, bestaat niet meer. Maar dat betekent niet dat er geen fricties meer zijn. De informatie- en communicatietechnologie (ICT) rukt op en lijkt de komende tijd onstuitbaar. De positieve aspecten daarvan zijn onloochenbaar. De banengroei is indrukwekkend. Zelfs in starre West-Europese landen worden de gevolgen daarvan geleidelijkaan zichtbaar.

Tegelijkertijd schept zo'n ICT-maatschappij echter ook nieuwe verhoudingen. De arbeid moet, op straffe van nutteloosheid, veel flexibeler en mobieler zijn dan in de traditionele industriële samenleving. Het kapitaal gedraagt zich immers navenant.

Het is deze wedloop waarop de oppositionele regenboogbeweging haar pijlen heeft gericht. Ze zoekt niet naar oplossingen, maar vooral naar zwakke plekken. En die zijn er genoeg, ook in Nederland. Eén blik op het onderwijs illustreert dat afdoende.