Temmen van bestialiserende krachten

,,Een mannelijke kloon is tegelijkertijd de zoon en de tweelingbroer van zijn vader. Dat is sinds Jezus Christus niet meer gebeurd'', zei Peter Sloterdijk. Het was een van de vele kwinkslagen waarmee de Duitse filosoof het debat opluisterde, dat vrijdagavond plaatsvond in de Amsterdamse Rode Hoed.

Sloterdijk en zijn collega Rüdiger Safranski kregen de gelegenheid om uitgebreid hun positie te verduidelijken ten aanzien van de zogenaamde `affaire-Sloterdijk', die op 20 juli vorig jaar in gang werd gezet door Sloterdijks lezing Regels voor het mensenpark. Daarin verklaarde hij dat de oude humanistische beschavingsmiddelen achterhaald zijn en riep hij filosofen op om na te denken over regels die de praktijk van genetische manipulatie in goede banen moeten leiden. Sloterdijk verwierp niet op voorhand alle vormen van gentechnologie, dat hij opvatte als de voortzetting van het humanistische `temmen' en `telen' van individuen.

Op grond van enkele uit hun verband gerukte citaten werd Sloterdijk vervolgens door de Duitse pers gebrandmerkt als fascist, waarop een hevige polemiek losbarstte onder filosofen en journalisten. Sloterdijk sloeg terug met onder andere een open brief in Die Zeit aan zijn vroegere leermeester Jürgen Habermas, die hij als de geheime aanstichter van de rel zag en wiens hele `hypermorele' generatie van `mentaliteitsmachthebbers' hij ten grave droeg. Het lijkt erop dat Sloterdijk, nu de hysterie grotendeels is weggetrokken, als overwinnaar uit de strijd komt; die indruk werd zeker gewekt in de Rode Hoed, waar aan Sloterdijk de bij Boom verschenen Nederlandse vertaling van zijn lezing werd overhandigd en het debat de sfeer had van een geanimeerd gesprek tussen bevriende collega's.

De Vlaamse schrijver Stefan Hertmans, die samen met René Gude, hoofdredacteur van Filosofie Magazine, het debat leidde, merkte in zijn inleiding terecht op dat de heftige reacties van destijds deels veroorzaakt werden door de weinig voor de hand liggende manier waarop Sloterdijk in zijn tekst twee thema's verknoopt: het humanisme en de eugenetica.

Safranski noemde als verdienste van Sloterdijk, dat hij erop gewezen heeft dat het humanisme ook een geschiedenis is van tucht en teelt: het temmen van de bestialiserende krachten en het kweken van sociaal vaardige individuen. Naarmate de gentechnologie zich ontwikkelt zal de maakbaarheid van de mens ook met biotechnische middelen gerealiseerd kunnen worden, en dit vraagt volgens Sloterdijk om de formulering van een `morele codex', waarin de grens wordt getrokken tussen legitieme en illegitieme genmedische optimalisering.

Safranski en Sloterdijk bleken gaandeweg het debat bereid om zo'n optimalisering voor alleen individuen toe te staan. Safranski behield echter een zekere reserve: ,,De verhouding van de mens tot zichzelf zal veranderen wanneer hij zijn eigenschappen kan kopen. De mens is het product van toeval, en hij heeft er recht op dat zijn aangeboren eigenschappen alleen worden bepaald door het toeval.'' Er klonk een bescheiden applaus voor deze woorden. Sloterdijk wierp tegen dat het toeval `niet zo goddelijk is dat we het in alle omstandigheden bewonderen moeten'.

Wat Sloterdijk in zijn lezing naliet deed hij nu wel: zijn standpunt tegenover gentechnologie preciseren. ,,Waar mensen door Zeugungszufälle in een nadelige positie verkeren moeten we niet te vroom zijn en niet te vroeg een grens aan de mogelijkheden tot verbetering stellen.'' Het klonen van groepen mensen als onderdeel van een biopolitieke strategie wees hij als `racistisch' van de hand.

Sloterdijk greep de gelegenheid aan om nog even de spot te drijven met zijn schandaalbeluste critici. Van Habermas kon hij de tegenstand nog wel begrijpen, want die was immers zestien toen de oorlog beëindigd werd en had de `verleidingen van het fascisme' aan den lijve meegemaakt. De critici die Habermas opgestookt zou hebben om Sloterdijk aan te vallen zouden volgens deze slechts gehandeld hebben uit de `lust' die het geeft om een schrijver `aan te brengen'. ,,Zou u dat ook niet doen als u in de gelegenheid was?''

In de zaal zat Harry Mulisch, in wiens laatste roman De procedure een biochemicus optreedt die uit dode materie leven weet te maken. Mulisch noemde na afloop het debat `erg Duits' en verklaarde dat hij het `een beetje vilein en unfair' vond van Sloterdijk om Habermas kwalijk te nemen dat hij `zestien was aan het eind van de oorlog en misschien in de Hitlerjugend heeft gezeten'. ,,Dan kun je Sloterdijk ook kwalijk nemen dat hij op zijn dertigste bij de Bhagwan zat.''