Staketsels zonder inhoud

Urs Fischer (Zürich, 1973) bouwde in Bureau Amsterdam een stellage van breekbaar spiegelglas, getiteld Dr. Katzelberg. Katten van spiegelglas liggen hier en daar op een plateau of balanceren op een dunne rand van glas. Sommige glasplaten zijn gebarsten; slordige lijmsporen maken voelbaar hoe klungelig en tijdelijk het bouwsel is. Fischer, zo blijkt uit een interview in de nieuwsbrief van Bureau Amsterdam, maakt graag transparante dingen of dingen die er bijna niet zijn, zoals schaduwen, rook of stof, of een werk dat in de omgeving verdwijnt. Dat is ook ongeveer wat hier gebeurt: het beeld lost zichzelf op in gefragmenteerde spiegelingen.

Bij Dr. Katzelberg ontstaat door de broosheid en door de ongerijmde aanwezigheid van de katten nog wel een zekere spanning. Anders is dit bij het tweede werk van Fischer, The Membrane. Fischer maakte van aluminium buizen een doorzichtige `kamer'. Over de buizen drapeerde hij zachte flappen roodgekleurde silicone, die afgietsels zijn van stoelen, tafels en kasten. Dit beeld oogt steriel en formalistisch, als een werk van een esthetisch gevoelige vormgever die nu eens geen zin heeft te voldoen aan het nuttigheidsprincipe of de eis van bruikbaarheid.

De silicone flappen blijken afgietsels te zijn van meubels en objecten in Bureau Amsterdam. Het werk is ter plaatse gemaakt, waarbij eerst gipsen mallen van de meubels werden vervaardigd die vervolgens werden volgegoten. The Membrane is dus in zekere zin site specific. Maar zichtbaar is dit niet, je moet het weten; en het is een wetenswaardigheid die aan het werk niets toevoegt.

Toen Claes Oldenburg in de jaren zestig zijn slappe sculpturen maakte – en daar doet The Membrane onvermijdelijk aan denken was dit een radicaal en ondermijnend statement tegen alles waar beeldhouwkunst tot op dat moment voor stond: stabiliteit, duurzaamheid, monumentaliteit, plasticiteit, etc. Hetzelfde, nog sterker en subversiever, gold voor de zachte afdruksels in was van Bruce Nauman uit dezelfde periode.

Fischer stelt in het interview dat ,,het concept van het nieuwe als drijvende kracht is achterhaald''. Dit inmiddels algemeen erkende feit ontslaat de beeldend kunstenaar natuurlijk niet van de taak om een zinvolle uitspraak over de wereld te doen, om een betekenisvol werk te maken. Zo'n werk mag dan in stilistisch opzicht niet `nieuw' zijn, als het iets zinvols meedeelt over de wereld, als het zeggingskracht heeft, is het vanzelfsprekend nieuw, omdat het een onbekende verte opent of een nieuwe ingang in de werkelijkheid biedt.

Bij Fischer gebeurt dat niet. Zijn werk is slim, sophisticated, ironisch, hij is op de hoogte van het discours in de hedendaagse kunst, maar veel mee te delen heeft hij niet. Zijn beelden zijn, letterlijk en figuurlijk, holle staketsels. Ze winnen niet aan gewicht door de mededeling dat ze daar ter plaatse zijn ontstaan, of `een relatie aangaan met de omgeving'. Fischer hinkt op twee gedachten. Als hij lege, betekenisloze, vluchtige beelden wil maken, dan zal dat veel radicaler en harder moeten. Wil hij een `sociale', op de omgeving gerichte kunst maken, zoals hij zegt, dan zal hij dat beeldend zichtbaar moeten maken.

Tentoonstelling: Urs Fischer, The Membrane And why I don't mind bad-mooded people. In: Bureau Amsterdam, Rozenstraat 59, Amsterdam. Tot 28 mei. Dizo 11-17 u.

    • Janneke Wesseling