MOEDERSKIND MET VUISTEN VAN BETON

Opnieuw ontpopte Lennox Lewis (34) zich zaterdag als een luis in de pels van de Amerikanen. Met succes verdedigde de Engelse gentleman-bokser zijn wereldtitels in het zwaargewicht, ten koste van Michael Grant.

Aan zijn intenties hoeft niemand te twijfelen. FCUK FEAR luidt de spitsvondige strijdleus op de muts van de kampioen in het zwaargewicht. De boodschap moge duidelijk zijn: Lennox Claudius Lewis is geen angsthaas. De Britten kunnen bovendien gerust zijn: hun boksende landgenoot draagt de Union Jack een warm hart toe.

Trots kunnen ze ook zijn, de Britse sportliefhebbers die de laatste jaren niet verwend zijn. Daar waar de cricketers, de rugbyers, de voetballers en al die anderen telkens het hoofd moeten buigen, daar blijft The Boxing Briton fier overeind. Zaterdag verdedigde Lewis met succes zijn wereldtitels in het zwaargewicht door in het hol van de leeuw, Madison Square Garden in New York, zijn Amerikaanse uitdager Michael Grant te verslaan.

Vooral de wijze waarop maakte indruk. In minder dan twee ronden joeg de 34-jarige Brit zijn opponent, een kolos van 113 kilo afkomstig uit de school van Evander Holyfield, tot vier keer toe tegen het canvas. ,,Lennox heeft vanavond zijn naam en faam waargemaakt'', meende zijn manager, Frank Maloney, die na afloop meteen de volgende tegenstander bekend maakte. Over ruim twee maanden zet zijn pupil in Londen de kampioensgordels van de World Boxing Council (WBC) en de International Boxing Federation (IBF) op het spel tegen de Zuid-Afrikaan François Botha, alias De Witte Buffel.

De Amerikanen staan buitenspel sinds hun landgenoot Holyfield in november werd onttroond in de strijd om de alleenheerschappij in het zwaargewicht. Met zijn overwinning op de olijke reus uit Texas kwam Lewis in het bezit van de titels van de drie toonaangevende profbonden: de IBF, de WBC en de World Boxing Association (WBA). Grant stond zaterdag voor de taak het kroonjuweel terug te brengen in het land waar het profboksen, alle schandalen van de laatste jaren ten spijt, nog altijd deel uitmaakt van de nationale sportcultuur. Maar de oud-basketballer uit Chicago faalde jammerlijk in zijn 32ste profpartij.

Tot woede van de Amerikanen, die het maar niet verkroppen dat de koningsklasse van het boksen, de onuitputtelijke goudmijn die zij bijna honderd jaar hebben geëxploiteerd, in handen is van een buitenstaander. Van een vuistvechter bovendien die openlijk zijn liefde voor zijn moeder belijdt, zelden of nooit op een onvertogen woord te betrappen is en in zijn vrije tijd het liefst plaatsneemt achter een schaakbord.

Dat beeld strookt niet met het imago dat de op geld en macht beluste managers en promotors nodig hebben om hun product in de markt te zetten. Met andere woorden: de kleurloze Lewis is niet in staat de publieke belangstelling te prikkelen, zoals `het onmens' Mike Tyson (The Beast) en de godsdienstfanaat Evander Holyfield (The Holy Warrior). Of zoals de beroemdste promotors onder de boksmarketeers, de excentrieke Don King, het ooit kernachtig uitdrukte: ,,Lewis kan nog geen vlieg naar het schijthuis lokken.''

Amerikanen laten geen moment onbenut om de bedeesde Brit af te schilderen als een onwaardig kampioen, zijn imposante verschijning (1 meter 96 en 112 kilo) en lichtvoetige stijl ten spijt. Ook na zaterdag is en blijft hij voor velen een bokser wiens imago vloekt met dat van beruchte en beroemde voorgangers als Joe Louis, Joe Frazier, Muhammad Ali, Rocky Marchiano, Larry Holmes en Mike Tyson. ,,Wij willen een kampioen met uitstraling'', verzuchtte een vooraanstaand Amerikaans bokshistoricus vorige week. ,,Kampioenen in het zwaargewicht zijn mannen met een gevreesde reputatie, mannen met een dubieus verleden of mannen met een groot charisma. Maar geen schaakliefhebbers met een bekakt Engelse accent, die met een opgestoken pink thee drinken.''

Groot was dan ook de euforie toen vorige maand een rechter in New York Lewis' WBA-titel ongeldig verklaarde. Met name Don King, de vleesgeworden icoon van het profboksen, kon zijn geluk niet op. ,,Justice has won'', kraaide de omstreden zakenman. Maar kenners en volgers wisten beter: een list had King teruggebracht aan de speeltafel waar de dollars worden verdeeld. En Lewis? De Brit was het slachtoffer van zijn eigen naïviteit.

In de aanloop naar het gevecht met Holyfield, een protégé van King, had hij op last van de man met het piekhaar een contract moeten tekenen, waarin hij zich verplichtte om bij winst zijn titel op het spel te zetten tegen de nummer één op de WBA-uitdagerslijst. Die belofte schond Lewis door in december in te stemmen met een confrontatie met Grant. Als reden daarvoor voerde Lewis' manager Maloney onder meer aan dat het gevecht tegen de beoogde opponent, Henry Akinwande, uit medisch oogpunt onverantwoord was. Akinwande, een Nigeriaan met een Engels paspoort, lijdt aan hepatitis-B. King was echter niet onder de indruk van dat argument. The Lord of The Ring zag zijn kans schoon en stapte naar de rechter.

Kings luizenstreek kwam voor de Britse roddelpers als geroepen. Eindelijk een ranzig verhaal om de kolommen te vullen. Al jaren zit de sensatiepers in zijn maag met de `brandschone' Lewis. Omdat uitgebreid speurwerk naar het verleden van de bokser in eigen land geen smeuïge details opleverde, deed een tabloid ooit een bijna vertwijfelde oproep in Amerikaanse en Canadese kranten. Wie o wie kon het blad helpen aan nuttige informatie over Lennox Claudius Lewis? Het bleef angstvallig stil.

Verwonderlijk was dat niet, want een losbol is Lewis allerminst. Slechts bij hoge uitzondering wordt hij in het nachtleven van Londen gesignaleerd. En al staat de Engelse sensatiepers bekend om zijn doortastende manier van optreden, tot dusverre is geen van de tabloids erin geslaagd de identiteit te onthullen van de vriendin met wie Lewis naar verluidt al ruim acht jaar een relatie onderhoudt. Dat hij tot op heden uit de klauwen van de roddelpers is gebleven, beschouwt Lewis als een overwinning. ,,Je zal mij nooit laveloos op straat aantreffen, met mijn broek op de enkels'', zo verklaarde hij meer dan eens. En om zijn belagers op voorhand te ontmoedigen: ,,Zo ben ik niet en zo zal ik nooit worden.''

Zonder twijfel de belangrijkste vrouw in het leven van Lewis is zijn moeder Violet. Na zijn zege op Holyfield was zij de eerste die de ring betrad om haar zoon te knuffelen. Op zijn beurt bewierookte Lewis naderhand nog maar eens de culinaire kunsten van zijn moeder. Voorafgaand aan elke wedstrijd duikt Violet Lewis de keuken in om het favoriete gerecht van haar zoon op tafel te toveren: pasta met kip. Voor de Amerikaanse pers was die ontbezoeming aanleiding om Lewis te bestempelen als ,,een moederskindje''.

Een moederskindje met vuisten van beton, dat wel. Slechts vier niet-Amerikanen wisten in de afgelopen honderd jaar de Amerikaanse hegemonie te doorbreken in de koningsklasse van het profboksen: Tommy Burns (Canada, 1906-'08), Max Schmeling (Duitsland, 1930-'32), Primo Carnera (Italië, 1933-'34) en Ingemar Johannson (Zweden, 1959-'60). De laatste Engelsman die zich de onbetwiste kampioen van het zwaargewicht mocht noemen, stamt uit de negentiende eeuw: Bob Fitzsimmons die in 1897 de Amerikaanse titelhouder James J. Corbett knock-out sloeg.

Lewis heeft veel gemeen met zijn voorganger. Ook Fitzsimmons werd geboren in Engeland, maar emigreerde op zijn zevende naar Nieuw Zeeland. Lewis' wieg stond weliswaar in Oost-Londen, in de verpauperde volkswijk West Ham, maar ook hij nam reeds op jonge leeftijd (12 jaar) de wijk naar het buitenland. Canada werd het tweede vaderland van de zoon van Jamaïcaanse ouders.

Voor de Amerikanen is het duidelijk: de Engelsen mogen dan de illusie koesteren een wereldkampioen te hebben voortgebracht, op basis van Lewis' antecedenten is dat rubbish. Zelf noemt Lewis zich ,,een wereldburger'', al laat hij niet na om regelmatig zijn liefde voor Groot-Brittannië in het algemeen, Engeland in het bijzonder, te betuigen. Die liefde zal na zaterdag wederzijds zijn.

    • Mark Hoogstad