Een eisch der menschelijkheid

Kunnen wij verantwoordelijk worden gesteld voor de daden van onze ouders? Een tijd geleden bood Kok de joden zijn excuses aan voor de wijze waarop ze bij terugkeer uit de kampen door de Nederlanders zijn behandeld. Maar wat heeft Kok ermee te maken, hij was nog maar een jongen van zeven toen de grote mensen zich misdroegen.

Het gaat uiteraard om het verschil tussen functie en persoon. Persoonlijk staat hij erbuiten, maar in zijn hoedanigheid van regeringsleider hoort hij zich rekenschap te geven van wat zijn voorgangers hebben gedaan, of nagelaten.

Het klinkt aannemelijk, maar is er geen beperking in tijd? Is Kok verantwoordelijk voor de daden van al zijn voorgangers, ook die van honderd en tweehonderd jaar geleden? Bovendien waren het vooral burgers die zich schofterig gedroegen, vrije en zelfstandig denkende stemgerechtigde volwassenen. Zij zijn nu dood of boven de zeventig. Moeten hun kinderen en kleinkinderen zich verantwoordelijk voelen voor wat zij deden?

Dat klinkt al minder aannemelijk, maar je kunt bijvoorbeeld stellen dat de kinderen wel de vruchten plukken van de arbeid van hun (voor)ouders. De straten, gebouwen, rioleringen en kunstwerken zijn door de volgende generaties geërfd; wie de goede dingen in ontvangst neemt, moet zich ook bewust zijn van de kwade.

Laten we iets verder teruggaan: de slavernij, begonnen in 1500 en beëindigd in 1863, op 1 juli. Moet Wim Kok zijn excuses aanbieden voor wat Nederlandse handelaren en planters driehonderd jaar lang hebben gedaan? Moeten alle blanke Nederlanders zich schuldig voelen over de verrichtingen van hun voorouders? En tegenover wie moeten ze die schuld dan voelen, tegenover de afstammelingen van de slaven, van wie grote aantallen nu in Nederland verblijven?

De regering heeft al besloten een monument op te richten om de slavernij te herdenken. Op 1 juli aanstaande maakt minister Van Boxtel bekend waar en hoe dat zal gebeuren. En intussen woedt een discussie tussen allerlei groepen die ook vinden dat ze recht hebben op een gebaar: waarom krijgen de nazaten van Surinaamse slaven wel een monument en worden de Antilliaanse vergeten? Hoe zit het met de Ghanezen, en hebben de hindoestanen die de plaats van de slaven na de abolitie moesten innemen ook geen recht op een teken van spijt?

En is spijt genoeg of moet er, net als in het geval van de joodse slachtoffers, geld op tafel komen? En aan wie zou dat moeten worden uitgekeerd, aan de achterkleinkinderen van slaven die in Nederland wonen, terwijl ze hier redelijk goed af zijn in vergelijking met hun soortgenoten in Suriname?

Om de discussie nog gecompliceerder te maken is een boek verschenen van de Leidse historicus P.C. Emmer, De Nederlandse slavenhandel, waarin hij zegt dat we de slavernij niet moeten bekijken door onze ogen, maar door de ogen van de mensen die in die tijd leefden. In die tijd vond men slavernij namelijk heel gewoon. In Afrika was het zelfs nog gewoner dan elders op de wereld, daar werden al eeuwen slaven gehouden en verhandeld.

Emmer heeft een punt, het heeft iets raars om daden uit het verleden te veroordelen aan de hand van normen die toen nog niet bestonden. Maar dan blijven twee problemen over: als we door de ogen van de mensen in die tijd moeten proberen te kijken, dan ook door de ogen van de direct betrokkenen, de slaven zelf. Hoe kunnen we ons een voorstelling maken van wat zij vonden en voelden? Ze konden niet schrijven, hun ervaringen werden niet opgetekend, het enige wat we weten is dat ze geregeld in opstand kwamen of op de vlucht sloegen. Boni bijvoorbeeld, de beroemde marron die in Suriname wordt vereerd, waarom streed hij tot de dood als hij de behandeling van zijn mensen gewoon vond?

Het andere probleem in Emmers redenering is hoe uiteindelijk de norm die wij nu hanteren haar intrede heeft gedaan. Op een bepaald moment is de slavernij afgeschaft, wat wil zeggen dat men de slavernij rond die tijd niet meer gewoon vond. Hoe kwam dat?

Ik heb de beraadslagingen van de toenmalige Nederlandse volksvertegenwoordiging opgezocht en ik trof frappante verklaringen aan. Een zekere heer Tutein Nolthenius zei: ,,Mag ik de smet, die op Nederland rust als slavenhoudende Staat, langer doen bestaan; mag ik duizende mijner natuurgenooten bij voortduring in een staat van slavernij laten verkeren?''

Een andere volksvertegenwoordiger ergerde zich aan het feit dat alleen gesproken werd over de hoogte van het compensatiebedrag dat moest worden betaald aan de slavenhouders: ,,Ik mis den geest van de schrijfster van Uncle Tom'', zei hij, en iemand anders riep: ,,Ik zou geen dag, geen uur, ja geene minuut datgeen willen uitstellen wat, naar mijn overtuiging, sedert jaren een dringende eisch der menschelijkheid is geworden.''

Men had dus ook in de 19de eeuw een idee van menselijkheid en daarmee worden veel standpunten van Emmer behoorlijk wankel. Emmer zegt bijvoorbeeld dat de slaven in Suriname beter af waren dan in Afrika: ze hadden tenminste te eten. Mao Zedong had deze redenering kunnen bedenken, die dacht ook dat mensen een volle maag belangrijker vinden dan waardigheid.

Tussen het zijn van een slaaf in Afrika en in de Nieuwe Wereld was er trouwens een fundamenteel verschil: in Afrika was slavernij een maatschappelijke status, de slaaf had behalve plichten ook nog enkele rechten. Voor de Britten, Portugezen en Nederlanders was de Afrikaan van nature slaaf. Zijn nakomeling was slaaf en de nakomeling van zijn nakomeling was slaaf. Zoals tegenwoordig kinderen van allochtonen weer allochtonen zijn, en hun kinderen eveneens.

En wat vindt Emmer van een monument ter herdenking van de slavernij? Je zou verwachten dat hij er tegen is, maar dat is hij niet. Hij wil dat wij op 1 juli stilstaan bij de wandaden tegenover onze zwarte medemensen. Is er dus toch zoiets als een overerfbare morele schuld?

Behalve inconsequent is zijn conclusie ook qua vorm een beetje sullig. Ik zie Kok en alle toekomstige regeringsleiders al verveeld in hun agenda kijken en op 1 juli routinematig een krans of iets anders leggen bij een beeldhouwwerk, waar zelfs de mensen die eromheen wonen de betekenis niet van kennen.

Ik wil geen beeldhouwwerk. En ook geen museum of een academisch instituut. Ik wil dat de Nederlandse geschiedenisboeken worden herschreven. In de huidige schoolboeken wordt de slavernij behandeld alsof die alleen in de Verenigde Staten bestond. Maar in Nederland moet de slavernij worden besproken in de context van de Nederlandse koloniale geschiedenis, als een verschijnsel waar Nederlanders deel aan hadden, en waar ook in die tijd verzet tegen was, door blanken en door zwarten. Boni moet een voor iedereen bekende naam worden in Nederland, alsook Tutein Nolthenius.