De meikoningin

In sommige streken van Duitsland wordt op de avond van 30 april de meikoningin gekozen. Er heerst daar een landklimaat en de lente begint pas in mei. Men leeft er eenvoudig en vindt houvast bij tradities. Goed, het vereren van heilige eiken mag in onbruik zijn geraakt en het ganzen knuppelen verboden, het ritueel van 30 april leeft volop.

Op die avond zie je de meikoningin het dorp waar zij zojuist is verkozen verlaten. Ze draagt een witte jurk, een witwollen manteltje en een krans van madelieven in het haar. Ze heeft een mand aan haar arm en lijkt wel wat op roodkapje. Ze slaat een steile, holle weg in en loopt lichtvoetig omhoog. Vanuit de verte zou je haar voor een vuurvliegje kunnen houden. Over dezelfde weg komt een andere witte gedaante omlaag. Het is haar tegenpool koning winter. Hij gaat in ondergoed gekleed en heeft het verschrikkelijk warm. Speciaal voor hem bloeien de sleedoornhagen zo vroeg, die aan resten sneeuw doen denken. Hij loopt te hijgen en te zweten, alsof hij onderweg de route voor trimmers heeft gevolgd, nu eens tien armzwaaien heeft uitgevoerd, dan weer zijn zware lijf aan een boomtak heeft opgetrokken. En misschien heeft hij dat ook wel gedaan, in de hoop nog wat pondjes wintervet kwijt te raken voor zijn ontmoeting met de beeldschone meikoningin. Misschien heeft hij zich hoog in de bergen in een stuk spiegelend ijs bekeken, zijn haar over zijn kalende schedel gekamd, buik en wangen ingetrokken, voordat hij aan zijn afdaling begon. Tevergeefs. Hij is een dikke, oude kerel die zijn beste tijd heeft gehad. Maar zolang de scepter en de kroon in zijn bezit zijn heeft hij macht. Nog even, dan is hij koning af. Allicht dat hij niet vrolijk is gestemd en weinig sympathie voor zijn opvolgster voelt. Nou, hij zal het dat grietje niet al te gemakkelijk maken. Knielen zal ze, voor het superieure seizoen!

Wanneer hij voor haar staat zijn z'n grimmige gedachten verdwenen. Wat een meisje! Wat een ogen! En die oortjes! En dat lichtgewelfde lijfje in het wit! Ach, hij zou zich aan háár voeten willen werpen, haar willen smeken: ,,Lieve mooie meikoningin, alsjeblieft, houd een beetje van mij'', maar hij beseft dat het te veel is gevraagd. De meikoningin is te jong en te ernstig om door te hebben dat de winterkoning verliefd op haar is.

,,Voor mij?'' zegt hij, haar mand met lelietjes-van-dalen overnemend. Zijn ogen tranen. Hij legt een dikke rode hand op haar arm. Ze huivert.

,,Heb je het koud?'' zegt hij, ,,Kom maar bij koning winter. Niet bang zijn.''

Nee, ze is niet bang, ze weet wat er gaat gebeuren. Ze knijpt haar ogen dicht en proeft het bitter van koning winters pijp, het zuur van de schnaps, het zout van het zweet in zijn snor en daartussen door een smaak die ze nog niet kent, een beetje wennen maar niet vies, lekker wel eigenlijk, zoet, het zoet van de erotiek, die in juni en juli tot volle bloei zal komen.

Ondertussen wordt in het dorpscafé met spanning op de terugkeer van de meikoningin gewacht. Beter gezegd, wordt in talrijke dorpscafés op even zoveel meikoninginnen gewacht. Net als Sinterklaas is de meikoningin een mythe, die eens in het jaar op vele plaatsen tegelijk nieuw leven wordt ingeblazen. Net als de hulpsinterklazen zijn de hulpmeikoninginnen gewone stervelingen. Meisjes die op school zitten of in de slagerij werken en bij hun ouders wonen. Natuurlijk zijn die ouders apetrots dat hun dochter is uitverkoren. Moeder heeft de witte jurk genaaid, vader heeft haar als een bruidje naar het dorpscafé geleid. Samen kijken ze haar na, wanneer ze met een mandje lelietjes-van-dalen op weg gaat om koning winter te ontmoeten.

Koning winter is de zwarte piet in het geheel. Hij wordt niet gekozen, maar aangewezen door de feestcommissie. Tijdens de pauze polst de voorzitter discreet enkele rijpere heren in het publiek die niet als zuipschuit of versierder bekendstaan. De kandidaat krijgt een set jaeger ondergoed, een kroon en een scepter uitgereikt. Hij verlaat het café via de achterdeur. Het komt voor dat hij daar door een stel tandenknarsende vaders wordt opgewacht, maar in de regel merkt het publiek pas na de pauze dat de hoefsmid of de gemeentesecretaris ontbreekt. Zijn naam ritselt door de zaal, totdat de voorzitter met de hamer op tafel slaat en verklaart dat het moment van de verkiezing is aangebroken.

Wanneer de meikoningin op het punt staat te vertrekken, zegt moeder, terwijl ze haar het witwollen manteltje omdoet: ,,Zul je goed uitkijken kind?'' en ze fluistert haar in het oor: ,,Eén keer, meer hoeft niet.''

En vader roept: ,,Als-ie lastig wordt, zeg je maar, pas op, want mijn vader slaat je helemaal in mekaar.''

,,Hè, toe nou'', zegt moeder, ,,Herr Keller is een keurige man.''

In al die dorpscafés zitten in de nacht van 30 april op 1 mei slechtgehumeurde vaders aan de bar schnaps te drinken. De moeders, witjes aan een tafeltje met familie, bijten in een zakdoek en zeggen bezwerende zinnetjes als: ,,Ja, ze worden groot hè'' en ,,Je houdt het toch niet tegen.''

De vaders slaan met de vuist op de bar, verkondigen dat als hun dochter om half een niet terug is godverdegodver... en laten zich door een buurman kalmeren. Terecht, want er gaat zelden iets mis. Slechts een enkele keer gebeurt het dat koning winter zich misdraagt. Dan wordt het een koud en slecht voorjaar, waarin geen gewas wil groeien en je in juni nog de kachel aan moet hebben.

Meestal handelt koning winter correct en verricht klokslag twaalf zijn laatste officiële daad. Hij reikt de meikoningin de scepter aan en zet haar de kroon op het hoofd.

Ze lijkt ouder geworden. Hij lijkt gekrompen.

,,Het ga je goed, meikoningin'', zegt hij.

,,Goede reis koning winter'', zegt zij.

Hij keert terug naar zijn winterpaleis in de bergen en verlangt niets anders meer dan rust. Als je de eerste dagen van mei nog een koude wind voelt, is dat de adem van koning winter die even staat uit te blazen. Elders ruik je de zachte, geurige adem van de meikoningin. Terwijl hij namoppert met een enkel nachtvorstje, danst zij juichend door de velden. Ze zet de wilde kersen in bloei, gooit de leeuweriken de lucht in en opent de stallen om de koeien de wei in te laten.

    • Chantal van Dam