China moet op `zwarte lijst' VN blijven

Pogingen om China in de Verenigde Naties wegens de schending van de mensenrechten te veroordelen moeten niet worden opgegeven, vindt Willem Offenberg.

China-deskundige Willem van Kemenade bepleitte op de Opiniepagina van 25 april, na een bliksembezoek aan Genève, stopzetting van een jaarlijks ritueel. Hij ziet het nut niet meer in van het tot dusver vergeefs indienen van een ontwerp-resolutie in de Commissie Mensenrechten van de Verenigde Naties tegen China wegens aanhoudende schending van de mensenrechten. Een effectievere methode om het mensenrechtenbeleid te kritiseren is volgens hem het intensiveren van de contacten door onder meer de Europese Unie. Zijn pleidooi voor een pragmatische aanpak gaat echter geheel voorbij aan de intrinsieke waarde die de regering in Peking zelf hecht aan dit ritueel.

Wie eind maart of in april Genève bezoekt, komt rond het Palais des Nations talloze betogers tegen. Ze vormen tezamen een getrouwe afspiegeling van heersend onrecht in de wereld. De meest in het oog springende groep is die van Tibetanen, die in klederdracht met zang en dans de aandacht op zich vestigen tijdens de jaarlijkse zitting van de Commissie Mensenrechten van de VN. Deze waakhond vergadert zes weken lang in het statige VN-paleis en de betogingen spelen zich af op een stoppelig veldje voor de hoofdingang, rondom een metershoog kunstwerk: een houten stoel, waaraan één poot ontbreekt – symbool voor een imperfecte VN, voor de machteloosheid van wat gemakshalve `de internationale gemeenschap' is gaan heten.

Sinds 1991 komt elk jaar een China onwelgevallige resolutie op tafel (met één onderbreking, in 1998, toen de Europese Unie en de Verenigde Staten het om handelstechnische overwegingen geheel lieten afweten). De regering in Peking slaagt er echter steeds in het in stemming brengen van deze resolutie door een procedurele vergadertruc te verhinderen, namelijk door een motie in te dienen die de 53 leden van de Commissie oproept geen actie te ondernemen. Elk jaar weer ontstaat hierover eenzelfde debat. Het is een confrontatie tussen het Westen, dat universaliteit van de mensenrechten bepleit (`martelen is in elke cultuur verwerpelijk') en een Afro-Aziatische meerderheid, die een cultuurrelativistische benadering voorstaat en die steevast hamert op de economische, sociale en culturele rechten die zij, mede door toedoen van het kapitalistische Westen, moet ontberen.

Het Westen is principieel tegenstander van het indienen van zo'n `no-action'-motie, omdat elke misstand, waar ook ter wereld begaan, in de Commissie bespreekbaar zou moeten zijn. In simpele termen gaat het om een zwaar gepolitiseerde versie van een aloude discussie, namelijk welke rechten verdienen de voorrang, die van het individu of die van de groep? Het enige juiste antwoord – beide zijn van gelijk belang – raakt ondergesneeuwd in politiek geharrewar. Wat is, na jaren van vergeefse pogingen, dan nog de betekenis van deze rituele kastijding van China's mensenrechtenbeleid?

Het zwaarste middel dat de Commissie ter beschikking staat om de aandacht te vestigen op schendingen in een lidstaat is het aanstellen van een speciale rapporteur die de situatie, zo mogelijk ter plekke onderzoekt. Talloze minder in het oog lopende middelen gaan hier doorgaans aan vooraf – van behandeling achter gesloten deuren en vrijblijvende adviezen tot actieve bemiddeling. Veel verder dan het `mobiliseren van schaamte' komt de Commissie niet, maar het is juist dit weinig spectaculaire instrument dat de overgevoeligheid van de regering in Peking voor externe kritiek blootlegt.

Hoezeer Peking erop gebeten is de dans van kritiek te ontspringen, blijkt, behalve uit het uitbundige gejuich van Chinese gedelegeerden na de propagandaslag in zaal 17 van het Palais, ook uit de omvang van de Chinese delegatie, die speciaal voor de gelegenheid met vele diplomaten wordt versterkt. In de weken voorafgaand aan de Commissiezitting voert Peking de druk op de lidstaten flink op, vooral op minder bedeelde handelspartners in Afrika en Azië. Afrikaanse diplomaten klagen in de wandelgangen over `the ugly Chinese' die hun hoofdsteden `saboteren'. Ze worden bestookt met demarches in ondiplomatieke taal waarin door Peking gesubsidieerde bouwprojecten in gevaar komen zodra met de VS of de EU wordt meegestemd. Deze vorm van armstwisting zou op zich onderwerp van de Commissie behoren te zijn.

Voorheen ontzag de Commissie de permanente leden van de VN-Veiligheidsraad, maar aan deze onoorbare praktijk is nog tijdens deze zitting een eind gekomen met de veroordeling van Rusland voor het bloedige optreden in Tsjetsjenië – een reden temeer derhalve om ook China aan te pakken.

Maar er is nog een ander argument om pogingen China te kapittelen niet op te geven. China dient te worden gehouden aan dezelfde normen op het gebied van mensenrechten als elk ander land. Afzien in VN-verband van veroordeling van Chinese schendingen geeft het verkeerde signaal. Tientallen kleinere en minder draagkrachtige VN-lidstaten, van Cuba, Irak tot aan Birma en Congo, waar schendingen vaak minder schrijnend, minder talrijk en omvangrijk zijn, ontkomen terecht niet aan de druk van de internationale gemeenschap. Grootscheepse schendingen in China, geconstateerd in jaarverslagen van themarapporteurs, inzake vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging en van vergadering; de belemmering van godsdienstvrijheid en het uitblijven van eerlijke rechtspraak; nog afgezien van de duizenden terechtstellingen per jaar en de vervolging van Falun Gongleden, dit alles plus de onderdrukking van Tibet, zijn redenen te over om China vooralsnog op de `zwarte lijst' van de VN te handhaven.

Willem Offenberg is hoofdredacteur van `Wordt Vervolgd', maandblad van Amnesty International.

    • Willem Offenberg