Bij Sander Germanus levert het experimenteren vrolijkheid op

Een onopgeruimde kinderkamer kan smoezelig zijn en toch in fleurige kleuren gestoken. Iets vergelijkbaars drong zich op bij het Noordhollands Philharmonisch Orkest dat zich waagde aan een hels lastige nieuwe compositie van Sander Germanus (1972), die eerder was opgevallen met zijn in 1998 bekroonde Adamsarchipel. Ook Continentaal voor dubbelkamerorkest herinnert aan dit werk, met name door eenzelfde vertragingstechniek in een langzame episode.

Nieuw is de bijzonder consequent uitgewerkte microtoontechniek die de akkoorden een grijzig waas verleent als een vloeibare vernislaag. Nu zijn kwarttoonexperimenten niet nieuw, al in 1864 bezat het conservatorium van Moskou een kwarttoonklavier. Maar Germanus is allerminst zwaar op de hand. Hij componeert in wezen een vrolijke muziek, een beetje lazy soms, swingend speels, dan weer Guus Janssen-achtig, tegendraads. Het is vooral die combinatie die verrast, want experimentele componisten zijn immers meestal bijzonder zwaar op de hand.

De opstelling in vier halve cirkels is uitgekiend. De eerste cirkel is bestemd voor orkest 1, dat musiceert vanuit de toonhoogte a=443. De tweede is voor orkest 2 vanuit de a=431, de derde bevat blazers en harp van orkest 2 en de vierde musici van orkest 1. Het slagwerk staat als enig instrumentarium achteraan in een rechte rij opgesteld. Altviool, cello en contrabas nemen het voortouw in een stijgend glissando, maar met Indiase exotiek heeft deze kwarttoonsmuziek niets van doen, noch in opzet noch in uitwerking. Vervolgens doet de trombone zich gelden teneinde beide orkesten op sleeptouw te nemen en zo ontwikkelt zich een discours waarin de strijkers zweverig klinken, het hout grappig, het koper gedecideerd met de pauk daar rommelend en trommelend doorheen.

De variatie van een snel deel in de herhaling na een langzaam brengt geleidelijk een nog avontuurlijker karakter. Grilliger, tegendraadser. Soms denk je: nu gaan we naar het slot toe maar komt er weer iets nieuws en zeker het grappig Kageliaans slot — eindelijk! — is verrassend. De steeds intrigerender compositie werd uitstekend gespeeld en dat wil wat zeggen bij al die ongewone intonaties, de musici kunnen immers nergens op routine terugvallen.

In het na de pauze uitgevoerd Concert voor orkest van Witold Lutoslawski is het omgekeerde het geval. Hier is het materiaal kinderlijk eenvoudig, onder meer acht melodietjes uit Mosavia rond Warschau. Maar de verwerking is sophisticated, het radicaalst toegepast in een arioso in de tranformatie van het volkslied `Ik veranderde in een grijze duif', alleen de intervallen blijven intact. Grijs is de muziek echter allerminst, eerder pronkend kleurig als van een pauw. Grauw vind ik wel het Harpconcert van Henk Badings, dat in de plaats kwam van een nog te voltooien concert van Robert Heppener. Wat een holle bolle Gijs-muziek biedt niet dat martiale slotdeel!

Veel beter slaagde een elegisch middendeel in de stijl van Frank Martin. Ellen Versney was de voortreffelijke soliste die er alles uithaalde en zelfs meer dan dat. Met name de voorname allure die zij het grave meegaf, een lange monoloog boven een ostinato van de pauk, verleidde menige adamsappel tot een slikkende beweging.

Concert: Noordhollands Philharmonisch Orkest. Gehoord: 28/4 Concertgebouw Haarlem. De Concertzender 7/6, 20 uur.