Wetgever helpt WAO'er te weinig

Staatssecretaris Hans Hoogervorst van Sociale Zaken wil zowel werkgevers als (aspirant)werknemers extra prikkelen om de toestroom van arbeidsongeschikten naar de WAO in te dammen en de uitstroom te vergemakkelijken. Maar de overheid – hijzelf dus – moet ook nog het nodige bijdragen. Zoals betere wetgeving.

Het WAO-probleem is politiek hoogstgevoelig en daarom lang en breed belicht vanuit vele invalshoeken.

Vanuit het perspectief van arbeidsschuwe types en dat van werkwillige doorzetters die helaas stranden in de stroop van de WAO-bureaucratie. Vanuit de invalshoek van matig geïnstrueerde keuringsarts en de kortzichtige werkgever, tot die van de matig functionerende arbodienst die de reïntegratie in het cruciale eerste ziektejaar verwaarloost. Of vanuit het inzicht dat de WAO altijd wel een ondoorzichtig en onhanteerbaar instituut zal blijven waar zich altijd meer mensen voor zullen melden dan waarvoor het bedoeld is.

Maar er is nóg een aspect, dat nauwelijks voor het voetlicht komt, namelijk dat Nederland qua wetgeving op het gebied van arbeidsintegratie van gehandicapten en chronisch zieken internationaal gezien achter loopt. Zo bestaat hier geen wetgeving die discriminatie van deze groepen verbiedt, met name in de delicate sollicitatiefase. Bovendien komt de Nederlandse werkgever, die een solliciterende gehandicapte links laat liggen, in tegenstelling tot zijn collega's in de Verenigde Staten of Duitsland, probleemloos weg.

Dat stelt de jurist A. Hendriks, docent bestuurskunde aan de Universiteit van Amsterdam in zijn onlangs gepubliceerde proefschrift `Gelijke toegang tot de arbeid voor gehandicapten' (ISBN 9026835868). Uitgaande van de gegevens over 1997 komt dr. Hendriks uit op ongeveer 1,5 miljoen Nederlanders tussen de 15 en 64 jaar met een `lichte' tot `matige' handicap. Wat overeenkomt met 9,6 procent van de bevolking, ruim 14 procent van de potentiële beroepsbevolking (15-64 jarigen) en 21,9 procent van de daadwerkelijke beroepsbevolking.

Hoeveel van hen werken? Werkgevers zijn volgens de `Wet arbeid gehandicapte werknemers' verplicht het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen te informeren over eventueel bij hen werkende gehandicapten. Vrijwel niemand doet dat. Maar uit reeksen deelstudies en taxaties concludeert Hendriks dat slechts tussen de 1,32 en de 2,68 procent van alle werknemers in Nederland een handicap heeft. Wat duidelijk onder de taakstelling ligt van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (REA) die mikt op minimaal 3 tot 7 procent gehandicapte werknemers per bedrijf of sector.

Vanwaar die lage arbeidsparticipatie? Als eerste reden wordt vaak de beperktere inzetbaarheid genoemd. Vooral waar het de grote meerderheid van licht tot matig gehandicapten betreft, veegt Hendriks met dat argument de vloer aan. Een tweede verklaring, die wordt genoemd, is het kostenaspect. Maar Hendriks toont aan dat het met die kosten erg meevalt en dat ze door de overheid gul worden vergoed voorzover ze wél worden gemaakt. De werkgever die een gehandicapte in dienst neemt kan over drie jaar op 24.000 gulden overheidssubsidie rekenen. En bij ziekte betaalt de overheid.

Een derde oorzaak van de lage arbeidsparticipatie van gehandicapten is volgens de promovendus de subjectieve beeldvorming die voor hen negatief uitpakt. Zij worden volgens recente onderzoek door veel werkgevers gezien als `bedrijfsrisico' omdat zij minder hard zouden werken, vaker ziek zouden zijn en minder zouden zijn gemotiveerd.

Verder worden gehandicapten – `in verband met de representativiteit' – vaak minder geschikt geacht voor contacten met de klant. Tot slot signaleert Hendriks: ,,Werkgevers willen liever niet worden geconfronteerd met gehandicapten.' Waarom niet? ,,Deze afkeer weerspiegelt, zo wordt aangenomen, de vrees voor het onbekende.'

Wat is daar aan te doen? In Nederland niet veel, constateert Hendriks. Vooral de beslissende sollicitatiefase is hier nauwelijks gereguleerd. Toch zijn wij volgens de grondwet en internationale verdragen verplicht voor non-discriminatie en gelijke kansen op de arbeidsmarkt te zorgen.

Waarom doen wij dat niet? Hendriks: ,,Hoewel gehandicapten in Nederland een achterstandspositie innemen op de arbeidsmarkt werd hun beperkte deelname aan het arbeidsproces tot voor kort niet of nauwelijks in verband gebracht met de gebrekkige naleving van het recht op arbeid en gelijke behandeling.' Waarom niet? Omdat gehandicapten hier tot voor kort allereerst werden geacht te snakken naar verzorging en sociale zekerheid. En die werd toch volop geboden door ons genereuze stelsel van sociale voorzieningen zoals de WAO? Hendriks: ,,Dat verklaart waarom de wetgever en het bestuur hier tot voor enkele jaren lage prioriteit toekenden aan het bevorderen van gelijke arbeidskansen voor gehandicapten.'

Kortom, een typische uitwas van de jaren zeventig toen beklagenswaardig geachte gehandicapten met genereuze sociale voorzieningen vooral moesten worden `beschermd' tegen de arbeidsmarkt. Toen werd arbeid vaak nog negatief geassocieerd met noties uit het traditioneel-industriële tijdperk als `labeur', `zweet' en `slijk der aarde'. Maar in het huidige post-industriële ICT-tijdperk wordt niet-arbeiden eerder gelijkgesteld met `maatschappelijke uitsluiting', `gebrek aan persoonlijke ontwikkelingskansen' of `economische verspilling' gezien de krapte op de arbeidsmarkt.

Wat te doen? Hoe het uitgerangeerde gehandicaptenleger meer mogelijkheid tot herintreding te bieden en het massale WAO-bestand in ieder geval onder het miljoen te houden? Het buitenland biedt volop inspiratie. Neem Duitsland waar de sociaal-econoom dr. Leo Aarts onderzoek deed. Wordt in Nederland minder dan 2 procent van de arbeidsplaatsen door mensen met een handicap bezet, in Duitsland is dat 4,5 procent. De Duitse wet verplicht werkgevers zelfs minimaal 6 procent arbeidsongeschikten in dienst te hebben. Bedrijven die dat niet halen krijgen per gemiste arbeidsplaats 200 mark boete. Dat geld wordt ook geïnd (we zijn in Duitsland) en gebruikt voor reïntegratieprojecten. Arts' meest frappante ontdekking: voor reïntegratie en aanpassing van de werkplek wordt bij de oosterburen zeventig (!) keer meer gespendeerd als bij ons.

Promovendus A. Hendriks bekeek de niet minder sprekende verschillen tussen Nederland en de Verenigde Staten. Via krachtige non-discriminatie wetten zoals de Civil Rights Act, de Rehabilitation Act, of de Americans with Disabilities Act worden de in Nederland gesignaleerde uitwassen voorkomen. Amerikaanse werkgevers worden al tijdens de sollicitatiefase gevolgd en zijn verplicht tot vele aanpassingen, bijvoorbeeld wat betreft meubilair of werktijden. Ook eist de Amerikaanse overheid van werkgevers met wie ze zaken doet dat ze een bepaald percentage gehandicapten in dienst hebben. Anders doet de overheid geen zaken met ze.

Volgens Hendriks heeft in de VS meer dan de helft van de zogenaamde arbeidsongeschikten een baan. Hier nauwelijks een kwart.