Syrië maakt economie iets vrijer

Syrië kondigde deze week aan de economie te liberaliseren. Dat is vooral van ,,symbolisch en psychologisch belang''.

Toen westerse journalisten in november vorig jaar de Syrische minister van Economische Zaken, Mohammed al-Imadi vroegen naar de stijgende werkloosheid in zijn land, antwoordde hij met een wegwerpgebaar: ,,Dankzij het wijze beleid van onze geliefde president Hafez al-Assad hebben wij in Syrië geen werkloosheid. Het zijn maar een paar mensen, die te lui zijn om te werken.''

Dit is het oude Syrie. Een politiestaat die al 30 jaar met ijzeren hand wordt geregeerd door een minderheidsregime van Alawitische moslims, met sinds 1973 Assad aan het hoofd. Het regime heeft maar een prioriteit, aan de macht blijven, en heeft de hele samenleving hieraan ondergeschikt gemaakt. Problemen worden ontkend, gebagatteliseerd of toegeschreven aan `buitenlandse vijanden' en `zionistische krachten'. Bestuurders worden geselecteerd op loyaliteit en patronage in plaats van op competentie, en de werkelijke beslissingen worden elk genomen door de president zelf, die ondanks z'n fragiele gezondheid dan ook bijna alleen maar werkt. Veel van zijn ministers heeft Assad maar twee keer gezien; bij hun beëdiging en bij hun ontslag.

Het resultaat is een slecht geleide en ondoorzichtige economie, waarin bijvoorbeeld eind 1999 nog steeds de staatsbegroting over dat jaar niet bekend was. Syrie heeft een van de laagste inkomens per hoofd van de bevolking in de Arabische wereld terwijl bijna een kwart van de overheidsbegroting opgaat aan `nationale veiligheid'. Meer dan tien veiligheidsdiensten bespieden de bevolking en elkaar. Pas in 1993 werd bijvoorbeeld het verbod op faxapparaten opgeheven, en dan nog alleen omdat het regime eindelijk de technologie had geinstalleerd om faxverkeer af te luisteren. Sociale vrede wordt gekocht, onder meer met massale voedselsubsidies. Het regime besefte goed dat buitenlandse investeringen en toenemende welvaart de greep van de staat op zijn onderdanen losser maakt, en voerde een investeringsvijandig beleid.

In maart werd een nieuwe premier Mohammed Mero aangesteld met de expliciete opdracht de economie te hervormen en om de corruptie aan te pakken. Mero had als gouverneur van de tweede stad van Syrie Aleppo al naam gemaakt als technocraat en door zijn gewoonte vermomd als gewone burger haperende overheidsdiensten te bezoeken. Ook de beoogd opvolger van Assad, zijn zoon Bashar, benadrukte in het openbaar de noodzaak van liberalisering.

Deze week zette Mero de eerste concrete stappen: voortaan mogen buitenlandse investeerders het land bezitten waarop ze hun projecten ontwikkelen, en ze mogen hun netto winsten volledig repatrieren. Voorheen moesten zakenlieden een kwart van hun buitenlandse deviezen verplicht omwisselen bij de centrale bank tegen een koers die bijna tien procent lag onder de werkelijke koers. Verder mogen particulieren in Syrië voortaan buitenlandse deviezen en edelmetalen in bezit hebben, een 'vergrijp' waarop tot vorige week 15 tot 20 jaar gevangenisstraf stond. Straffen voor valutasmokkel zijn teruggebracht van maximaal 25 jaar tot maximaal vijf en de in Londen verschijnende pan-Arabische kwaliteitskrant al-Hayat meldde woensdag dat Syrie vier politieke gevangenen heeft vrijgelaten, in het kader van het nieuwe beleid ,,van politieke tolerantie, liberalisering en vergroting van de vrijheden in het land''. De krant haalde verder hoge Syrische functionarissen aan die ,,op zeer korte termijn'' verdere economische hervormingen en de stichting van een aandelenbeurs voorspellen.

De zakenwereld in Damascus verwelkomde de maatregelen maar omschreef ze als vooral van ,,symbolisch en psychologisch belang''. De echte hervormingen moeten nog komen, waarbij sanering van de bankensector, het meervoudige wisselkoersmechanisme en de verre van onafhankelijke rechterlijke macht bovenaan het verlanglijstje staan.

De vraag is nu hoever het regime bereid is te gaan in de hervormingen, en of het regime impopulaire bezuinigingsmaatregelen zal durven nemen, op het moment dat hij zijn omstreden zoon steeds duidelijker naar voren schuift, en wellicht een bij zijn bevolking hoogst controversieel vredesverdrag met Israel sluit. ,,Assad heeft relatief weinig manoeuvreerruimte, daarom houdt hij zijn poot ook zo stijf met de Israeli's. Hij moet thuiskomen met een aantrekkelijke vrede,'' zegt een analist in Beiroet.

Economisch en demografisch kan Syrië, dat geen lid is van de WTO, goed beschouwd niet anders dan toenadering zoeken tot de wereldeconomie en vrede sluiten met Israel. Op basis van de huidige bevolkingsgroei heeft het land over een kwart eeuw 25 miljoen inwoners. Daarbij komt dat nog dit decennium de Syrische olievoorraden zijn uitgeput, terwijl Rusland, de voormalige militaire en economische bondgenoot van Syrië, het land alleen nog benadert voor de terugbetaling van schulden.

Vrede met Israel zou de deur openzetten naar militaire, economische en technologische hulp uit de Verenigde Staten en Europa en het associatieverdrag met de EU, waarover Syrië al jaren vruchteloos onderhandelt, dichterbij kunnen brengen. Het zou een opleving veroorzaken in het economisch veel vrijere buurland Libanon waar honderdduizenden Syriers werken. Het zou het toerisme stimuleren en een deel van de naar schatting 50 miljard gulden in de Syrische diaspora aantrekken.

Het zou, maar gebeurt het ook? Duidelijk is dat er voor het een regime een duidelijke uitruil bestaat tussen toenemende economische bedrijvigheid en de mogelijkheid de eigen burgers te controleren. Meer welvaart zal vooral de middenklasse ten goede komen, en die is hoofdzakelijk Sunnitisch. Het is het dilemma van Assad: om het economisch tij te keren moet hij iets ondernemen, maar iedere stap versterkt zijn tegenstanders.