Reric boven water

Reric, een handelsnederzetting aan de Duitse Oostzeekust, werd aan het begin van de negende eeuw verwoest. Lang werd aangenomen dat dit `Duitse Troje' in zee was verdwenen. Niet dus.

Eeuwenlang was Reric bij kenners van de historie van de vroege middeleeuwen bekend als de verdwenen stad (eigenlijk een versterkte handelsplaats). Van het bestaan en de verwoesting van het `emporium Reric' wordt melding gemaakt in twee documenten uit het begin van de negende eeuw. Daaruit blijkt dat Reric een belangrijke handelsnederzetting aan de Oostzeekust moet zijn geweest.

Maar waar lag Reric? En was het inderdaad, zoals alleen op grond van de `Deense' naam verondersteld kon worden, een van de oudste `steden' van Vikingen, die op vele plaatsen langs de kusten van de Oostzee vanaf het begin van de achtste eeuw nederzettingen stichtten van waaruit ze handel dreven en hun roemruchte rooftochten ondernamen?

Het mysterie van Reric sprak tientallen jaren tot de verbeelding van wetenschappers en publiek in Duitsland. Er werden `ontdekkingen' gedaan die later niet juist bleken en tot hevige polemieken leidden. Pas na de Duitse hereniging, begin jaren negentig, kon een omvangrijk wetenschappelijk onderzoek worden opgezet, dat vorig jaar is afgesloten. Dr. Hauke Jöns, prehistoricus aan de Universiteit van Kiel, had de leiding bij opgravingen die in 1994 begonnen en vier jaar duurden. Bij het dorp Gross Strömkendorf, aan de Oostzeekust nabij de stad Wismar, werden talrijke resten blootgelegd van een grote nederzetting uit de achtste eeuw. In zijn bescheiden werkkamer aan de universiteit zegt Jöns met stelligheid ``dat aangenomen kan worden dat Gross Strömkendorf en Reric identiek zijn''. Naar aanleiding van een wetenschappelijke publicatie stuurde het Duitse persbureau DPA een half jaar geleden het bericht de wereld in dat `Reric was ontdekt'. Dat leidde tot een stroom van artikelen in de populaire pers over het `Duitse Troje' dat toch niet (geheel) in zee was verdwenen.

De kortstondige hype past in de opmerkelijke geschiedenis van het onderzoek naar Reric. Al eens eerder, in 1938, was de `ontdekking' van het `legendarische' Reric met veel bombast bekendgemaakt. In de ideologie van het Derde Rijk, met zijn verheerlijking van Germaanse mythologie en `Arische idealen' paste het mysterie van Reric wonderwel. Reric was immers een `stad' van de Vikingen, de onverschrokken veroveraars die heel Europa door trokken. Jöns: ``In 1938, na een opgraving die slechts twee weken in beslag nam, op een plek aan de Oostzeekust tussen de steden Rostock en Wismar, was het dan zo ver. Hoewel hier alleen resten van voorwerpen van Slavische herkomst uit de tiende eeuw werden gevonden, riepen de nazi's de vindplaats uit tot Rerik.'' Met een `k' in plaats van een `c' want tenslotte ging het om een Germaanse `stad'.

De `ontdekking' van nazi-propagandisten, die door de wetenschap niet serieus werd genomen, had na afloop van de Tweede Wereldoorlog onvermoede gevolgen. In wat inmiddels de DDR was, groeide de plaats van de opgravingen uit tot `Ostseebad Rerik', een van de populairste badplaatsen aan de Oostzee waar de boeren en arbeiders van de heilstaat van Ulbricht en Honecker kwamen uitrusten. Omdat wetenschappers in de DDR wel wisten dat het Ostseebad niet het mysterieuze Reric was, is volgens Jöns ``zeker vier keer besloten de naam te wijzigen. Maar dat kwam er nooit van omdat de inwoners van Ostseebad Rerik zich daar met succes tegen verzetten''. De plaats van die naam bestaat nog altijd.

Pas na de Duitse hereniging kwam een uitvoerig onderzoek naar Reric op gang. Jöns erkent wel dat een amateur-archeoloog uit Rostock in de jaren tachtig (toen de DDR nog bestond) al belangrijke aanwijzingen voor het bestaan van Reric had gevonden. Dat was nabij het dorp Gross Strömkendorf, in de bocht van Wismar aan de Ostsee. In 1995 werd een begin gemaakt met uitgebreide opgravingen, een project van het Landesamt für Bodendenkmalpflege Mecklenburg-Vorpommern en de universiteit van Kiel. Hauke Jöns leidde een team van onderzoekers op het gebied van geologie, geofysica, antropologie, zoölogie en paleo-etnobotanie. De talrijke vondsten en ontdekkingen wijzen erop dat hier een grote handelsnederzetting heeft bestaan.

De naam Reric wordt twee maal vermeld in de zogeheten fränkische Reichsannalen over de laatste twee decennia van de achtste eeuw. De huidige Duitse gebieden langs de Oostzee waren toen zeer dun bevolkt, vermoedelijk pas sinds enkele decennia voor het begin van de zevende eeuw. Een Slavisch volk, de Obroditen, had zich hier gevestigd, met Mecklenburg, op slechts 14 kilometer van de plaats van de opgravingen, als centrum. De Obroditen waren een bondgenoot van het Frankische rijk van Karel de Grote, o.a. in diens oorlogen tegen de Saksen die op hun beurt vaak steun kregen van de Deense Vikingen. De keizer erkende hun leider Drazko in 804 als `koning van de Obroditen'. Verder naar het oosten leefde een ander volk, de Wilzen, die in 808 samen met de Denen (Vikingen) de Obroditen aanvielen.

kooplui

De fränkische Reichsannalen melden dat de Deense koning Gottrik in 808 naar zijn rijk terugkeerde nadat hij `de aan de zeekust gelegen handelsplaats had verwoest die in de Deense taal Reric heette en door het heffen van belastingen zijn (Gottriks) rijk groot voordeel opleverde. Hij nam de kooplui met zich mee en voer met het hele leger per schip naar de haven die Schliethorp heet'. Schliethorp is de Duitse naam voor Haithabu, de bekende grote Vikingnederzetting aan de Schlei, de breed naar de Oostzee uitwaaierende rivier waaraan Schleswig is gelegen, de vroegere hoofdstad van de huidige Duitse deelstaat Schleswig-Holstein.

In 809 melden de Reichsannalen nog dat Drazko, `de hertog van de Obroditen in de handelsplaats Reric door Gottriks mensen arglistig werd omgebracht'. Daarna wordt de naam Reric niet meer genoemd, niet in de Reichsannalen noch in enig ander document, vermoedelijk omdat de verwoeste handelsplaats nooit meer is opgebouwd. Uit archeologisch onderzoek is bekend dat Haithabu in de negende eeuw snel uitgroeide tot een van de belangrijkste Vikingnederzettingen langs de Oostzee. Vermoedelijk is de snelle expansie van Haithaibu te danken aan de uitschakeling van de concurrent Reric dat permanent door de Obroditen werd bedreigd. Het wegvallen van de belastinginkomsten voor de Deense Vikingkoning werd waarschijnlijk goedgemaakt door de activiteiten van de kooplui die Gottrik meenam naar zijn `dorp in de heide': Haithabu.

Uit de Reichsannalen kan dus worden afgeleid, aldus Jöns, dat Reric in het stamgebied van de Obroditen lag en dat de nederzetting vanuit de zee per schip bereikbaar was. Dat in de Frankische Reichsannalen het lot van Reric en dat van de Slavische hertog Drazko worden vermeld, duidt erop dat Reric voor het Frankische keizerrijk een belangrijke stad was. Over de betekenis van de naam Reric is veel gespeculeerd, onder anderen door J. de Vries, kenner van de Noordse mythologie, die meende dat het om een Deense naam ging. Later is die veronderstelling verworpen, en er is geen nieuwe verklaring gevonden, zodat ook de naam geen aanknopingspunten bood voor onderzoek.

Vanaf de jaren zestig ontdekten amateur-archeologen dat een akker bij het dorp Gross Strömkendorf, op acht kilometer ten westen van de stad Wismar aan de Wismarer Bucht gelegen, talrijke resten van voorwerpen uit vroege tijden bevatte. Ze vonden botten van dieren en talrijke scherven van potten en andere gebruiksvoorwerpen, stukjes glas en metaalslakken die wezen op productie van gebruiksvoorwerpen. De amateur-archeoloog Heinrich Kruse uit Rostock schreef in 1986 een brief aan de Akademie der Wissenschaften der DDR dat het voorhistorische Reric op de akker pal naast de Oostzeekust moet hebben gelegen. Jöns: ``De these vond steun bij sommige wetenschappers, anderen geloofden er niet in.'' Pas het groot opgezette onderzoek dat tussen 1995 en 1999 werd uitgevoerd, leverde een groot aantal gegevens op Kruse's mening bevestigden.

Op grond van sytematische opgravingen, bodemmetingen, onderzoek met sonar en luchtfoto's concludeerden Jöns en zijn collega's van de Universiteit van Kiel dat de nederzetting tenminste 18 hectare groot was. Omdat de zeespiegel hier in de loop der eeuwen met zeker een meter is gedaald, kon worden aangenomen dat de nederzetting zich destijds verder in de Wismarer Bucht uitstrekte, wellicht wel honderd meter. Jöns: ``Een luchtfoto, min of meer bij toeval gemaakt op 10 mei 1999, toont duidelijk waar de kust vroeger was. Op grond van de verschillen in bodemgesteldheid kun je zien hoe de nederzetting via een natuurlijke en goed beschermde haven met de zee verbonden was. Een aantal diep in de grond geslagen palen die we aantroffen, diende waarschijnlijk om de haven tegen de golfslag te beschermen. Dendrologisch onderzoek wees uit dat het gebruikte hout voor de palen uit 734 dateerde. Het hout dat we aantroffen in (water)bronnen die de bewoners gebruikten, dateert uit de periode 720 tot 811. Een stuk hout werd op 710 gedateerd.''

werkplaats

De opgravingen in de 600 meter lange en 300 meter brede strook land langs de huidige kust dat als woongebied in gebruik was (met `huizen' van klei en hout, en daken van gras en slijpsel van schelpen) leverden een schat aan vondsten op. Daaronder duizenden stukken keramiek (veelal Slavisch van herkomst, maar ook uit het Rheinland), stukken textiel en munten, zoals Frankische denaren. Er werden zelfs drie Arabische dirham-munten aangetroffen. Bijzonder was de ontdekking van een voormalige werkplaats van 70 vierkante meter waar ijzerslakken en andere metaalresten werden gevonden alsmede vele honderden metalen `nieten' die de Vikingen gebruikten bij de bouw van hun schepen.

Er werden, ten zuiden van het woongebied, 230 graven gevonden en onderzocht. Uit de wijze waarop de overledenen ter aarde waren besteld, en wat aan hen was meegegeven, kan worden afgeleid dat de bevolking `multi-etnisch' was: Slaven, Saksen, Franken, Friezen en uiteraard Vikingen of Denen, die hier de baas waren. Dat laatste blijkt uit de resten van boten die zijn gevonden in enkele graven: de eer van een begrafenis met een boot en andere rijke giften als glasparels was voorbehouden aan leiders van Vikingclans. Er werden ook graven van paarden en honden gevonden – alleen Saksen en Friezen begroeven hun huisdieren, zegt Jöns. Opmerkelijk is dat er geen wapens werden aangetroffen.

Uit de onderzoeksresultaten leidt Jöns af dat de nederzetting bij Gross Strömkendorf tegen 720 de vorm van een dorp kreeg, met een ``duidelijke structuur in de bouw wat op een duidelijke ordeningsmacht duidt''. De vroegste graven dateren uit 750, toen waarschijnlijk de handels- en handwerkersstad ontstond. Er zijn geen vondsten gedaan die van na het jaar 811 dateren. Reric, dat ooit ongeveer duizend inwoners had en daarmee een van de oudste grote nederzettingen in het gebied van de Oostzee was, heeft nauwelijks een eeuw bestaan. De verwoesting van Reric moet tot een grote herstructurering hebben geleid. De Deense Vikingen die Reric verwoestten trokken zich terug op Haithabu, dat vervolgens lange tijd een van de belangrijkste `steden' in het westelijke Oostzeegebied was. Ongeveer tezelfdertijd vestigden Slaven zich in Alt Lübeck, dat eveneens tot een belangrijke handelsstad uitgroeide.

Over de opgravingen bij Gross Strömkendorf is op de komende Wereldexpo in Hannover (van 1 juni tot 31 oktober) een kleine expositie te zien in het paviljoen van de deelstaat Mecklenburg-Vorpommern.