Reis naar Zwitserland (1)

Mijn schoonvader was een man met goede connecties. Toen ik medio 1942 een oproep kreeg om me bij een of andere Kommandantur te melden voor een keuring, belde hij meteen naar een bevriende arts om een afspraak voor me maken. De volgende dag ontving de dokter me al, een flesje pillen op zijn bureau. Als ik die een paar dagen zou innemen, zouden de Duitse keuringsartsen me gegarandeerd weer naar huis sturen. ,,Maar schrikt u niet als uw urine dan nog enkele dagen knalrood blijft''.

Toen keek hij de oproep nog even in. ,,O nee, ik heb me vergist. Ik kan echt helemaal niets voor u doen. U gaat naar een soort kamp waarvoor pilletjes niet helpen. Geeft u het flesje maar weer terug.'' Ik voelde me een beetje opgelucht, want zo'n bloederig gekleurde plas leek me nogal griezelig. Maar mijn schoonvader, die in zijn Oost-Europese geboorteland al meer oorlogen en pogroms had meegemaakt, had geen tijd voor zoveel naïviteit. Hij belde meteen een andere relatie op. Het was de contactman van een verzetsgroep die oud-militairen hielp om via Portugal naar Engeland te komen. Toen bleek dat ik tijdens de mobilisatie van 1939-1940 en de vijfdaagse oorlog in dienst was geweest, was de zaak binnen vierentwintig uur in orde. We kregen een adres in de buurt van Roermond, waar mijn vrouw Ida en ik ons moesten melden.

Er was maar één moeilijkheid. Ida had, om er minder joods uit tezien, een paar weken eerder haar haar blond willen verven. Dat was mislukt; het was vuurrood geworden en na een paar maal knippen zag ze eruit als een clown met een bonte hoed. Bij een treincontrole is zoiets een risico. Daarom bracht een goede vriend ons per fiets naar Utrecht, één achterop en één op de stang. Buiten Amsterdam was de controle minder streng en de treinreis van Utrecht naar Limburg verliep zonder incidenten.

Twee contactmannen brachten ons naar een boerderij op de Belgische grens. Daar zat al een lotgenoot. We zouden met z'n drieën samen over de grens gebracht worden, maar eerst mochten we nog een paar uur slapen. Midden in de nacht groot gerucht, vreemde stemmen. Waren we verraden? Nee, het waren drie Franse soldaten die uit een Duits krijgsgevangenenkamp ontvlucht waren en dit adres hadden opgekregen. Zo gingen tegen de ochtend zes boerenknechten met de fiets de grens over, ieder met een vluchteling achterop. We werden afgeleverd bij een slager in Bree, in Belgisch Limburg.

De ontvangst daar was hartelijk, maar men wist niet wat met ons te doen. De slager had de avond tevoren instructies zullen krijgen van een contactman, maar die was niet verschenen. In een goed opgezette illegale organisatie ken je elkaars naam en adres niet en een gemiste afspraak betekende dus dat de verbinding voorgoed verbroken is. We konden zelfs niet bij de slager blijven, want hij wist niet of zijn huis na dit incident nog veilig was. We namen de trein naar Brussel en van daar naar de Franse grens. Maar dat is een verhaal apart.

Na de oorlog ben ik nog eens naar Bree gegaan om te horen hoe het allemaal afgelopen was. Te laat. De slager bleek gefusilleerd te zijn. (Wordt vervolgd)