ORANG-OETAN ZONDER WANGPLAAT HEEFT OOK VEEL NAGESLACHT

Het `onvolgroeide' mannentype van de Orang-oetan (dus zonder de indrukwekkende wangplaten) behaalt voortplantingssuccessen die vergelijkbaar zijn met die van `volgroeide' man. Dit blijkt uit onderzoek van de biologe Suci Utami Atmoko die op 1 mei hoopt te promoveren aan de faculteit Biologie van de Universiteit van Utrecht.

De zogenaamde `wangplaatmannen' zijn extra groot en zwaar, hebben breed uitstaande wangplaten, een flinke keelzak en een indrukwekkende, lange beharing waardoor ze nog groter lijken. Ze slaken diep resonerende long-calls of `lange-roepen'. Wangplaatloze mannetjes zien er eerder uit als fors uitgevallen vrouwtjes. Deze dieren zijn niet hormonaal geremd zoals bij andere zoogdieren onder hoge populatiedruk soms het geval is. Seksueel zijn ze juist flink actief.

Uit jarenlange gedragsobservaties heeft Utami de verschillen in de paringsstrategie van wangplaatmannen en wangplaatloze mannen afgeleid. Het succes van wangplaatmannen blijkt te berusten op een `roep-en-wacht'-strategie: hun `lange-roepen' blijken een provocerende en afschrikwekkende werking te hebben op andere mannen. Vrouwelijke soortgenoten worden er door aangetrokken. Wangplaatloze mannen daarentegen hanteren een actieve `zoek-en-vind'-strategie. Anders dan de wangplaatmannen dwingen zij de vrouwelijke dieren vaak tot paring. Het zijn juist deze lichamelijk minder imposante mannetjes die onderzoekers van deze verder zo innemende mensapen geconfronteerd hebben met onversneden verkrachtingsscènes.

Door DNA-steekproeven uit de ontlasting werd de vader aangewezen van tien van de elf nog aanwezige dieren die de laatste kwarteeuw in het gebied zijn geboren. In zes van de tien gevallen waren wangplaatloze mannen de vader. Vastgesteld is bijvoorbeeld dat een man die in 1993 wangplaten ontwikkelde, de vader moest zijn van een bekend vrouwtje dat in 1974 was geboren. Hij heeft dus tenminste 20 jaar als volwassen wangplaatloze man geleefd.

De ontwikkeling van wangplaatloze man tot wangplaatman kan heel snel gaan; dieren die onderzoekers jarenlang konden uittekenen, kunnen er in vrij korte tijd haast onherkenbaar anders uitzien. Of de wangplaatloze man na verloop van tijd altijd tot wangplaatman uitgroeit is niet bekend. Utami benadrukt dat de wangplaatloze fase dan ook niet moet worden gezien als een tussenfase maar als een parallelfase.