Midweekje Tsjetsjenië

Elke week, van dinsdag tot vrijdag, organiseert het Kremlin een tripje voor buitenlandse journalisten naar de oorlog in Tsjetsjenië. ,,Denk niet dat we speciaal voor jullie granaten vuren. Dit is routinewerk.''

Even buiten Grozny is treinstel 2765 tot stilstand gekomen. Voorgoed, naar het zich laat aanzien. Niettemin verschoont tjotja Ljoeba, tante Lieve, nog dagelijks de lakens in de slaapcoupés. Dat deed ze voor de oorlog, dat doet ze nu nog steeds.

,,Vroeger reed ik mee van Leningrad tot Bakoe aan de Kaspische Zee'', vertelt ze met nadruk op vroeger. ,,We kwamen ook wel eens in Astrachan, bij de delta van de Wolga, en dan nam ik altijd verse kaviaar mee voor mijn dochter.''

Tegenwoordig vecht Ljoeba tegen het stof dat door de af en aan vliegende legerhelikopters wordt opgewiekt. Van de afsluitbare coupé voor de `wagonoudste' heeft ze haar noodwoning gemaakt. In het speciale conducteurskluisje bewaart ze het paspoort van haar dochter Louiza.

,,Dit is de enige foto die ik van haar heb'', zegt ze. Louiza heeft zwarte wenkbrauwen, veel donkerder dan die van haar moeder, en twee stevige vlechten. ,,Gestorven: 16 november 1997'', staat er geschreven, met dwars daardoor het stempel van het stadsziekenhuis van Grozny. ,,Louiza was nog maar net achttien'', zegt Ljoeba. ,,De eerste oorlog was voorbij, maar ze was krankzinnig geworden van de angst. Ze durfde niet meer buiten te komen, ook niet toen de bombardementen ophielden. `Mama er brandt iets in mijn hoofd', zei ze steeds.''

Op die 16de november was Louiza wel het huis uitgelopen, en 's avonds was ze dood gevonden in een park. Of het zelfmoord was of niet, haar moeder beschouwt haar als een oorlogsslachtoffer.

In de tweede Tsjetsjeense oorlog verloor de 51-jarige Ljoeba ook haar huis: een etage op vijf hoog in een buitenwijk van Grozny. ,,Ik ben er vorige maand terug geweest; maar de flat bestaat niet meer.''

En daarom, omdat het leven zo zijn eigen taaiheid kent, is ze gevlucht naar de Russische legerbasis Chankala, op een steenworp van de vroegere bebouwde kom. Bij de poort vroegen ze haar of ze iets kon. Was ze toevallig kokkin? Ljoeba vertelde de dienstdoende officier dat ze twintig jaar als wagonoudste had gewerkt, en dat kwam mooi uit: kort na de verovering van Grozny in februari was er een uitgerangeerd treinstel, nummer 2765, ingericht als journalistenhotel. En zo was het gekomen dat Ljoeba weer net als vroeger elke dag de lakens in de slaapcoupés verschoont en water kookt in een samovar van de Russische spoorwegen.

Elke week, van dinsdag tot vrijdag, organiseert het Kremlin een tripje voor buitenlandse journalisten naar de oorlog. Touroperator is Sergej Jastrzembski, de presidentiële woordvoerder over Tsjetsjenië. Diens ,,apparaat'', het `Rosinformcentr' geheten, waakt over het Russische imago in de binnen- en buitenlandse pers. De logica is deze: omdat het weren van Westerse correspondenten, met hun eeuwige ,,gezeur'' over de mensenrechten, averechts werkt, en het Kremlin steeds verder in de hoek dwingt, kun je die lastposten maar beter rondleiden.

Dat gaat met militaire discipline, en op de tocht door het van bandieten gezuiverde Tsjetsjenië kom je vóór alles een ding te weten: hoe het Kremlin wil dat de oorlog wordt gezien.

Het midweekje Tsjetsjenië begint op de vliegbasis Mozdok, waar de met haaientanden beschilderde bommenwerpers in rijtjes langs de startbaan staan opgesteld. Wij – twee Spanjaarden, een Fransman, een Zwitser, een Kroaat en ik – zijn in een busje met gordijntjes naar een Mi-8 helikopter gebracht. Onze gids is majoor Andre Priptsjoek, een gezond blozende officier die zichzelf ziet als ,,een strijder aan het informatiefront''. Het is mooi lenteweer op de terrassen en plateaus langs de Terek, maar de ochtenden beginnen met dichte mist. Toeman op z'n Russisch – het is de schrik van iedere militair. ,,Die nevel biedt dekking aan saboteurs'', zegt de helikopterpiloot, die zijn machine nog eens zorgvuldig beklopt.

Nu we moeten wachten op het optrekken van de mist, overlegt majoor Andrej met de persdienst van het leger. ,,Zullen we ze wat leesmateriaal geven?'' roept hij in zijn walkie-talkie. ,,Goed idee'', kraakt het van de andere kant. ,,Laat ze studeren!'' Een tel later duikt er een jeep op en krijgen we een door Kremlintours samengesteld boek over Tsjetsjenië in handen gedrukt. Onze enige Bask, Jesus, ontdekt een passage die hij hardop voorleest: ,,Zoals Spanje onder druk van de ETA-terreur geen centimeter van zijn grondgebied afstaat aan de Baskische separatisten, zo verdedigt Rusland in de noordelijke Kaukasus zijn soevereiniteit.''

Als de zon ineens doorbreekt en we in ganzenpas in de buik van de transportheli verdwijnen, blijkt dat we gefilmd worden door een Rus in uniform. Onze gastheren hebben ongemerkt de rollen omgedraaid: vanaf nu zijn wij figuranten in hun propagandafilm.

Bloesem

Door de patrijspoorten is precies te zien waar Tsjetsjenië begint: daar waar de akkers nog niet zijn geploegd, de wijngaarden en hopvelden er verwaarloosd bijliggen. We volgen de Terek-vallei, vliegen laag over ooibossen, rakelings langs geknapte hoogspanningsmasten, en na een half uur doemt er een grauwgroen tentenkamp op: legerbasis Chankala, even buiten de weggevaagde hoofdstad Grozny.

Chankala is een stofkamp, maar, zo zeggen de veteranen, prijs je gelukkig, tot voor kort was het een modderkamp. Rond de heli-veldjes hangen rambo's met ontblote bovenlijven op hun plunje. Af en toe klimt een vrouw op hoge hakken uit de ,,verkeerstoren'': een vrachtwagencabine op een paar containers. Met een hand in haar gelakte kapsel wijst ze toe wie er met welke piloot meegaat. Sommige bestemmingen als Vedeno en Benoi hebben een onheilspellende bijklank: daar zwerven duizenden rebellen rond.

Wij als buitenlanders mogen niet zonder escorte over het onafzienbare terrein struinen – met zijn rijen tanks en andere militaire hardware. Majoor Andrej levert ons af bij treinstel 2765, waar tjotja Ljoeba met haar schone beddengoed al op ons wacht.

,,Jullie hebben een half uur om je te installeren'', zegt Andrej. ,,Dan kom ik jullie halen voor de middagexcursie.''

,,Waar gaan we heen?''

,,Naar de bergen. Itoem Kale of Atsjchoi Martan.''

Voor we er erg in hebben zitten we alweer dicht opeengepakt in een andere Mi-8. We vliegen zuidwaarts, de Argoen-kloof en de Wolvenbocht tegemoet, inmiddels roemruchte slagvelden. Het ,,fort'' Itoem Kale, hoog in de bergen bij de grens met Georgië, gaat niet door. Het zicht is niet optimaal, meldt Andrej, en vorige week nog was er op die route een helikopter met gewonden beschoten.

Het wordt dus Atsjchoi Martan, nog net in het laagland bij de grens met Ingoesjetië. Het is een welvarend landbouwdorp dat bekendheid kreeg toen de Tsjetsjeense dorpsoudsten besloten te capituleren, vlak voordat de Russische artillerie het plat zou gooien. De laatste berichten zijn dat er een tyfusepidemie is uitgebroken.

Onze vertoesjka, het Russische kooswoordje voor helikopter, kiest waar mogelijk het open veld. De akkers die onder ons doorschieten zijn doorsneden met tanksporen, loopgraven en een patroon van schuttersputjes. Her en der zijn betonnen irrigatiegootjes van hun steunen getrokken; ze liggen nu uitgeteld op hun zij of rug.

Zonder een dorp te zien naderen we een nieuwe heli-haven, met witgeverfde keien afgezet. Er wappert een Russische vlag in de voorjaarswind, en aan de rand van een abrikozenboomgaard staat luitenant-kolonel Sergej (,,geen achternaam, dat is niet nodig'') te wachten. Duizend man heeft hij onder zich – voornamelijk artilleristen. Ze hebben hun tenten opgeslagen onder de bloesemende bomen, lieflijk bijna. Camping Atsjchoi Martan. Maar zodra we iets over de bloesem zeggen, trekt commandant Sergej een vies gezicht. ,,Wij militairen houden niet van de lente'', zegt de 42-jarige luitenant-kolonel van onder zijn snor. ,,Hoe meer blaadjes aan de bomen, hoe kwetsbaarder we zijn. Denk niet dat die terroristen stil zitten! Onder de dekking van het loof dalen ze uit de bergen af om te moorden, of om gijzelaars te nemen. Dat deden ze in de negentiende eeuw al, en dat doen ze nog steeds.''

Uit de inspectie van de legerbasis moet blijken hoe gedegen bevelhebber Sergej zich op een partizanskaja vojna, een partizanenoorlog, heeft voorbereid. Bewapend met onze camera's en microfoons springen we over verse loopgraven, we worden door een mijnenveldje geloodst en belanden bij de verst vooruitgeschoven observatiepost, waar soldaten-met-kogelvrije vesten opgewekt vertellen dat ze over nachtzichtkijkers beschikken.

,,Daar op die bergwand'', wijst Sergej met een knikje van zijn gladgeschoren kin. ,,Daar stond met zwerfkeien geschreven: BAMOET – ONNEEMBARE VESTING. Ha! Dat dachten ze dus, die bandieten. In december hebben we het ingenomen.''

Daar waren bijna drie maanden van beschietingen aan vooraf gegaan, met mortieren, stalinorgels en ander veldgeschut, maar ook door Mig-straaljagers vanuit de lucht. Bamoet, waarvan de daken door een veldkijker net te zien zijn, heeft het zwaar te verduren gehad. Als we teruglopen vraag ik de luitenant-kolonel of hij ons het veroverde bergdorp kan laten zien.

,,Bamoet laten zien?'' Van verontwaardiging vertraagt hij zijn pas. ,,U wilt daar heen? Wij proberen daar zelf niet naar toe te hoeven.''

,,Maar uw mannen patrouilleren daar toch zeker? Kunnen we niet mee?''

,,We observeren Bamoet'', zegt Sergej. ,,Maar daarmee is alles wel gezegd.''

,,Wanneer was u er voor het laatst?''

,,Dat moet een maand of vier geleden zijn. Bij de bevrijding, ja.''

,,Maar wie heerst er dan sindsdien over Bamoet?''

De commandant houdt stil, kijkt om zich heen en verzucht: ,,Niemand. Wij beschouwen het als niemandsland.''

Handgranaat

Later die middag voegt zich een kleine Armeniër van de afdeling ,,politieke scholing'' bij ons groepje. Omstandig legt deze legerideoloog uit dat de oorlog zo goed als voorbij is, dat het gewone leven zich langzaam herneemt. ,,In Atsjchoi Martan is de markt weer in gebruik genomen. Je kunt er weer sigaretten en lucifers kopen.''

,,Laat ons die markt dan zien'', dringen we nu collectief aan. ,,We willen met gewone Tsjetsjenen praten.''

Maar helaas, glimacht de Armeniër, dat is onmogelijk. ,,Er kunnen provocateurs opduiken, die kunnen een handgranaat gooien.''

,,Maar hoe moeten we dit dan begrijpen: het Russische leger controleert alleen de legerbasis en niet de omgeving?''

,,Dat bedoel ik nou met provocaties!'' valt de ideoloog uit. ,,Jullie westerlingen spannen samen met dat terroristengespuis.''

Geïrriteerd brengt hij ons naar een batterij 152-millimeter kanonnen, die klaar staat om voor onze camera's zomaar een salvo granaten af te vuren. Dit keer is de Armeniër ons een stap voor: ,,Denk niet dat wij dit speciaal voor jullie doen. Het is routinewerk; onze verkenners geven doelen door, en wij schakelen ze uit. Begrepen? Dan is het nu tijd voor de lunch.''

In de officiersmess, een half ingegraven tent waar een muffe kooklucht hangt, beland ik naast commandant Sergej. Een Rus uit de Oekraïne, wiens ouders daar nog altijd wonen. Hij heeft het er moeilijk mee dat de Sovjet-Unie uiteengevallen is. ,,Als ik mijn geboortedorp wil bezoeken moet ik eerst de grens over. Dat vind ik vernederend.'' Als artillerist heeft hij jarenlang de uithoeken van het Sovjet-rijk helpen verdedigen: hij was zelfs op de Koerilen-eilanden gestationeerd, tegenover Japan. Nu probeert hij op z'n minst Rusland bijeen te houden. Op de vraag hoeveel doden er in zijn eenheid zijn gevallen, werpt hij een vlugge blik op de Armeniër, die aan het andere uiteinde van de veldtafel zijn grutten-met-draadjesvlees naar binnen werkt – zonder mee te luisteren. ,,Sinds het begin van deze oorlog: 61. Van de duizend, grofweg.''

,,Zijn de meesten in de eerste maanden gesneuveld, toen het leger dorp voor dorp de bergen in trok?''

,,Nee, het grootste deel is vorige maand omgekomen. Veertig man in drie dagen.''

Eerst doet hij het voorval af met een schouderophalen: ,,Oorlog is oorlog.'' Maar dan vertelt hij stukje bij beetje dat zijn bataljon in maart was ingezet om Komsomolskoje te ontzetten, een gehucht van niks waar zich een groep bandieten had verschanst. Hoe hard het veldgeschut er ook op inbeukte, met vuurkracht alleen lukte dat niet. ,,Het was in de aanloop naar de presidentsverkiezingen. Ik kreeg te horen dat het er niet goed uitzag op tv, al dat vuur. We moesten haast maken. Bestormen dus. Als commandant ter plekke kreeg ik nieuwe instructies: ik moest infanterie inzetten.'' De luitenant-kolonel vertelt hoe hij een dozijn verkenners naar voren stuurde, en hoe die van alle kanten onder schot kwamen. ,,Hoeveel rebellen zitten er'', informeerde hij via de veldradio. ,,Een stuk of tien. We komen hier niet meer weg, we hebben versterking nodig'', antwoordden ze. Sergej stuurde een nieuwe eenheid, en nog een en nog een. ,,Er kwamen maar een paar jongens terug'', zegt hij. Het bleek dat er een stuk of zestig zwaarbewapende bandieten zaten, waarvan de meesten nog wisten te ontsnappen ook.

Disco

's Avonds, terug in het basiskamp Chankala, pepert majoor Andrej ons in dat er een avondklok van kracht is. Wie na tienen tussen de tenten en de tanks door sluipt, loopt de kans ter plekke te worden neergeschoten. We zijn dus gewaarschuwd. In de praktijk blijkt het mee te vallen: voor treinstel 2765, waar de Russische oorlogscorrespondenten hun satellietschotels hebben opengeklapt, is de sfeer losjes. Bij de staatszender RTR heeft de spionagedienst FSB een nieuwe gruwelvideo afgeleverd, die speciaal voor ons, buitenlandse journalisten, wordt vertoond. Komt dat zien, klinkt het door de trein.

De beelden zijn oud, uit de vorige oorlog in 1996, maar daarom niet minder ondraaglijk: drie gevangen officieren zitten gekneveld op een rijtje, de ondervraging verloopt rustig, zo lijkt het, totdat er op de voorgrond een hand verschijnt, met daarin een dolk, en er een slachtpartij plaatsvindt die het scherm langzaam rood doet kleuren.

Om de scène van je netvlies te krijgen, zijn veel flesjes Baltika-bier nodig, liefst met een slok wodka. Ter ontlading ontstaat spontaan een disco. De jongens van de commerciële omroep NTV hebben de achterklep van hun Lada-stationcar opengezet, en er schalt muziek uit de autoradio. `La Vida Loca' zingt Ricky Martin. Een blauw zwaailicht beschijnt de hossende menigte. Militairen van de legerpersdienst en journalisten lijken op te gaan in een cocktail van internationale klanken. ,,O la la Chankala'', zegt onze Zwitser.

Tjotja Ljoeba, die niet kan slapen, verschijnt in de deuropening van haar treinstel. ,,Mijn dochter hield ook zo van dansen'', zegt ze.

Later, als de helikopter die ons uit Tsjetsjenië zal liften al staat te wentelwieken, heeft ze zichtbaar moeite met het afscheid. ,,Jullie gaan weer naar huis'', zegt Ljoeba. ,,Terwijl ik achterblijf. Ik heb geen huis meer en deze trein, die gaat nergens meer naar toe.''