Met de dood in de ogen

Langzaam begonnen de joden in het getto van Warschau zich te realiseren wat de nazi's met hen van plan waren. Dat blijkt uit de brieven, tekeningen en foto's die de historicus Ringelblum tijdens de oorlog verzamelde. Zestig jaar na dato is de conservering van het archief ter hand genomen.

Onder het puin van het getto in Warschau werden in september 1946 drie vierkante ijzeren blikken opgegraven. Enorme koekblikken vol met documenten over het dagelijks leven in het getto tussen 1939 en 1943. Ze vormden het eerste deel van het Ringelbum-archief. Meer dan vier jaar later, in december 1950 werd het tweede deel van het archief opgegraven. Dat zat verborgen in twee ijzeren melkbussen. `Als een boodschap in een fles, geschreven door de opvarenden van een zinkend schip.'

De historicus Emmanuel Ringelblum (1900-1944) verzamelde alles wat maar een indruk kon geven van het joodse leven tijdens de Tweede Wereldoorlog in het getto van Warschau, maar ook ver daar buiten: brieven, opstellen, tekeningen, dagboeken, foto's, illegale krantjes, schoolrapporten en snoepwikkels.

Een groot deel van het archief – tweeduizend documenten – bestaat uit keurig beschreven briefkaarten waarop persoonlijke tragedies tot een paar regels zijn teruggebracht. `Lieve Izidor. Ik schrijf je voor de derde keer en helaas heb ik tot op heden nog niets van je gehoord, hetgeen mij zeer verwondert en verontrust. Ik verwacht geen hulp van je, maar alleen een bericht dat je het goed maakt. Krijg je nog vaak bericht van je lieve kinderen? Verder niets belangrijks, hartelijke groeten en kussen, je lieve oom Julius.'

Het laatste deel van het archief is nooit teruggevonden. Er zijn ooit wat halfverbrande snippers gevonden die erop zouden duiden dat het met de rest van het getto in vlammen is opgegaan. Zeker is het niet. Op de plaats waar Ringelblum en zijn medewerkers in maart 1943 het laatste deel van hun archief verborgen, staat tegenwoordig de Chinese ambassade. Graafwerkzaamheden zijn uitgesloten. De kans is boevendien groot dat de papieren allang vergaan zijn.

De koekblikken en de melkbussen werden opgegraven onder leiding van Hersz Wasser. Hij was de enige naaste medewerker van Ringelblum die de oorlog overleefde. De anderen werden gedeporteerd, kwamen om bij de opstand in het getto of de daarop volgende totale vernietiging van de joden in Warschau. Zonder de aanwijzingen van Wasser waren de blikken met het archief voor altijd onder de dikke laag puin blijven liggen die overbleef nadat de nazi's het getto in mei 1943 met de grond gelijk maakten.

Het Joods Historisch Instituut in Warschau, dat het archief sinds het begin van de jaren vijftig beheert, is één van de zeldzame gebouwen die de vuurzee hebben overleefd. Een grote zwarte brandvlek in de statige marmeren entree herinnert aan de poging van de nazi's om het gebouw in vlammen te laten opgaan. Net als de grote synagoge die recht tegenover het instituut lag. En net als de duizenden huizen die na de opstand in het getto in 1943 door de Duitsers in brand werden gestoken. Het Joods Historisch Instituut wilde niet branden.

Omdat het instituut wordt opgeknapt en overal schilders en timmermannen rondlopen, ontvangt de historica Ruta Sakowska liever in het café van het aangrenzende hypermoderne kantoorgebouw; een glazen ruimte waar Poolse yuppen tussen de middag hun maaltijd uit de `saladbar' halen. Een discodreun wordt regelmatig overstemd door het agressieve gereutel van een espresso-apparaat.

Sakowska was nog maar een kind toen de oorlog begon. Ze zat aan de `Russische' kant. Haar familie kwam uit Wilna (Vilnius) en vluchtte naar Oezbekistan toen de Duitsers de Sovjetunie aanvielen. Kort na haar afstuderen in de jaren vijftig begon ze aan het Ringelblum-archief te werken. Ze is inmiddels ver in de zestig en heeft verschillende publicaties over het archief op haar naam staan. Onverstoorbaar doet ze haar verhaal. Het is broeierig warm, maar haar bontmuts gaat geen seconde af.

,,Kijk, dit is een voorbeeld van zo'n brief, waaruit je kunt afleiden dat mensen heel goed wisten wat er aan de hand was.'' Ze leest een briefkaart voor waarop M. Zontag aan zijn moeder schrijft dat alles verloren is, en dat hij bidt dat haar niet hetzelfde lot te wachten zal staan. Het document dateert van 21 januari 1942 en is geschreven in het Jiddisch.

Ringelblum was ruim voor de oorlog gepromoveerd op het onderwerp `Joden in Warschau vanaf de oudste tijden tot het jaar 1527'. ,,Eigenlijk was hij de chroniqueur van de joden van Warschau vanaf hun allereerste verschijning tot aan hun dood in de gaskamers van Treblinka'', zegt Sakowska.

Ze omschrijft Ringelblum als een veelzijdig historicus die nauw betrokken was bij onderzoek naar de sociale omstandigheden van de joden in Polen. Hij werkte onder andere samen met het Joods Onderzoeksinstituut in Wilna, dat multidisciplinair onderzoek deed naar de economische en sociale omstandigheden waaronder de 3,5 miljoen joden in Polen leefden. Het was de tijd van de eerste sociologische onderzoeken.

Zodra de oorlog uitbrak, in september 1939, begon Ringelblum notities te maken. Hij wilde vertellen wat er gebeurde, hoe de joden de steeds verdere inperking van hun vrijheid ondergingen, en hoe de Poolse bevolking daarop reageerde. De werktitel was `Aantekeningen over de Pools-Joodse betrekkingen tijdens de Tweede Wereldoorlog'. Één van de gevonden documenten laat zien hoe bewust de joodse historicus aan het werk ging: `Deze schrijver neemt trillend de pen op in de wetenschap dat de geringste fout in zijn weergave het bederf van zijn hele werk kan betekenen.'

Ringelblum werkte eerst alleen maar al snel vormde zich rond zijn persoon een vriendenclub met de schuilnaam `Oneg Shabat' wat `Vreugde van Sjabat' betekent. Ze kwamen op zaterdagen bijeen. Naast de bovengenoemde Hersz Wasser, die econoom was, waren dat leraren, schrijvers, rabbi's en wetenschappers. Ringelblum wilde een studie maken van het leven van de joden onder de extreme omstandigheden van de oorlog. De gruwelijke afloop was voor niemand denkbaar.

Sakowska vertelt hoe Ringelblum en zijn mensen in het diepste geheim hun gegevens bij elkaar sprokkelden. ,,U moet zich voorstellen dat wat zij deden volstrekt illegaal was. Bovendien hadden ze natuurlijk helemaal geen technische hulpmiddelen. Er was grote honger, ze waren totaal van de buitenwereld afgesloten en ze leden voortdurend honger.''

Op de illegale schooltjes in het getto gingen vragenlijsten rond, bijvoorbeeld over hoe de kinderen hun eigen leven zagen. De antwoorden hadden de vorm van opstellen en werden later in de ijzeren dozen begraven. Ze wachten nog steeds op publicatie.

Van Sakowska verschijnt binnenkort een boek over kinderen in het getto, op basis van het archief. In 1997 verscheen een publicatie van haar hand over de brieven in het archief. Brieven en briefkaarten uit alle hoeken van Polen, geschreven aan familieleden in het getto van Warschau of binnengesmokkeld. ,,Je kunt aan de brieven exact zien op welk moment mensen in de gaten kregen wat Hitler van plan was.''

De eerste brief in haar boek dateert van januari 1942. Rabbijn Jakub Szulman schrijft vanuit het getto van Grabów over een vernietingskamp in Chelmno in het oosten van het land. Het is de allereerste keer dat het woord `uitroeiing' valt. De brief is afgeleverd door ene Szlamek die zelf uit het vernietigingskamp wist te vluchten. In het archief is een foto van hem te vinden: een jonge vent met en snor in een zware winterjas.

Anderhalve maand later komen berichten binnen van de moord op joden in Lublin en Lwów. ,,Het verhaal van Szlamek was van internationaal belang. Het gaf aan dat er een nieuwe fase was begonnen in de jodenvervolging. Ringelblum probeerde de wereld op de hoogte te stellen van wat er zich afspeelde. Via het Poolse verzet zocht hij contact met de Poolse regering in ballingschap. De eerste poging mislukte. Later kwamen er wel berichten door.''

Sakowska benadrukt dat de inwoners van het getto in hun totale isolement onmogelijk konden weten dat de nazi's tijdens de Wannsee-conferentie hadden besloten tot de `Endlösung'. Maar op basis van de brieven en getuigenissen uit andere delen van Polen kwamen ze zelf tot de conclusie dat de Nazi's bezig waren de joden systematisch te vermoorden. Volgens Sakowska speelde Ringelblum een cruciale rol bij de evaluatie van de berichten en zou de term `tweede fase' uit zijn kring komen.

Lieve, enige broeder. Van ons vijven zijn alleen wij tweeën overgebleven. Onze dierbare, lieve Mojszel en Lejbl zijn donderdagmiddag voor altijd vertrokken. Samen met een groep zieken die in het ziekehuis lag. Ze zijn allemaal tegelijk begraven op de oude joodse begraafplaats op vrijdag om half acht. Steun onze lieve ouders. Dat God hen de kracht geve om dit vreselijk ongeluk te dragen dat ons zo plotseling heeft getroffen. Schrijf alsjeblieft wanneer de brit (besnijdenis, red.) zal zijn van het zoontje van Chanele. Ik denk dat we hem Mojsze of Lejb zouden moeten noemen naar onze dierbare broers.'

Het zijn ongeruste, angstige brieven die pijnlijk precies weergeven hoe het bewustzijn binnen de muren van het getto groeide over wat er te wachten stond. Sakowska heeft het verloop geordend in de tijd. Vanaf de eerste tekenen van ongerustheid tot het moment van de zogeheten `demonische belasting', het geld dat iedere jood voor zijn eigen deportatie moest betalen. ,,Iedereen die op transport werd gesteld naar de vernietigingskampen moest eerst acht mark transportbelasting betalen. Zodra ze een oproep kregen dat ze moesten betalen, gingen ze afscheidsbrieven schrijven.''

Het verhaal van het archief is ook het verhaal van het verzet in het getto van Warschau, al heeft Ringelblum zelf nooit meegevochten. Hij hoorde volgens Sakowska tot de generatie die aanvankelijk niet verder wilde gaan dan burgerverzet. Maar naarmate de waarheid doordrong werd ook de roep om gewapend verzet groter. ,,Het was vooral een generatieconflict tussen de veertigers en vijftigers als Ringelblum en de jongere generatie van nog geen twintig. Maar het was ook een tegenstelling tussen aanhangers van de Jiddische cultuur, zoals Ringelblum, die de joodse identiteit in de diaspora zochten, en zionisten die een eigen joodse staat wilden stichten.''

Toch heeft Ringelblum volgens Sakowska indirect een belangrijke rol gespeeld bij het gewapend verzet. Toen de informatie over de jodenvervolging eenmaal verzameld was in het ondergrondse archief, kon niemand meer om gewapend verzet heen. Zeker niet toen er binnen het getto berichten binnen druppelden van gewapend verzet door joden in de buurt van Wilna, in Nowogródek.

De eerste berichten van voorbereidingen tot gewapend verzet in het getto van Warschau dateren van het voorjaar van 1942. Op dat moment was er bijna een half miljoen joden in het getto samengedreven. Iedere maand stierven in deze hel duizenden mensen door honger en ziekte (vooral typhus). Vanaf 22 juli werden de joden, met een snelheid van ruim vijfduizend mensen per dag, afgevoerd naar het vernietigingskamp Treblinka, dat zogenaamd een `werkkamp' was. In januari 1943 was het getto voor het grootste deel leeg gehaald.

Maar toen de nazi's op 18 januari opnieuw joden wilden oppakken was er plotseling weerstand. Na vier dagen van straatgevechten trokken de Duitsers zich terug. De deportatie werd tijdelijk stilgezet. Tot 19 april, toen Himmler ter gelegenheid van Hitlers verjaardag (op 20 april) het hele getto wilde opruimen. Tweeduizend zwaar bewapende Duitsers trokken het getto binnen. Het joodse verzet had nog geen vijftienhonderd man op de been weten te brengen. Ze waren lichtbewapend en nauwelijks getraind. Toch moesten de Duitsers zich ook nu weer terugtrekken. De volgende dag kwamen ze terug met strijdgassen en vlammenwerpers. Het duurde nog bijna drie weken voor het joodse verzet definitief werd verslagen. Op 16 mei werd bij wijze van genadeslag de grote synagoge opgeblazen.

Ringelblum wist, nadat hij zijn archief begraven had, met hulp van het Poolse verzet naar de `Arische kant' te komen. Samen met tientallen anderen vond hij een schuilplaats buiten het getto in een ondergrondse bunker. Wat er daarna gebeurde is onduidelijk. In maart 1944 werd hij samen met zijn vrouw Judyta en zijn zoontje Uri doodgeschoten in de Pawiak gevangenis.

Het archief werd na de oorlog zwaar gehavend opgegraven. Het pakpapier waarin de documenten gewikkeld waren was vergaan, de documenten zelf aangegeten door vocht. Jarenlang is er niets mee gedaan. Het Joods Historisch Instituut waar het archief ligt opgeslagen leed decennialang een slapend bestaan. Het was na de oorlog opgericht als een instituut voor en door joden. Maar er waren nauwelijks meer joden. Voor de conservering van het archief was geen geld.

Feliks Tych, directeur van het instituut, vertelt dat er pas sinds een jaar iets aan het veranderen is. Het gebouw is opgeknapt en het Holocaust-museum in Washington heeft apparatuur beschikbaar gesteld om de documenten te conserveren, in ruil voor kopieën van de verzameling.

Vorig jaar werd het Ringelblum-archief door de UNESCO uitgeroepen tot werelderfgoed, maar veel heeft dat volgens Tych nog niet opgeleverd. ,,Het is alleen maar een naam die je krijgt. Er is geen geld aan verbonden.''

Tych is al blij als hij enige ordening in het archief kan aanbrengen. ,,Er zit geen structuur in het archief. Ze hebben alles verzameld wat los en vast zat. Het enige wat je kunt doen is een soort thematische ordening aanbrengen.''

Sakowska heeft de brieven voor haar rekening genomen en de documenten die betrekking hebben op kinderen in het getto. Er komt ook nog een deel over literatuur in het getto. Maar wat te doen met een ijverige Amerikaanse student die op basis van het archief een studie heeft geschreven over het leven van joden tijdens de sovjetbezetting?

Sakowska houdt niet van dit gepluk in het archief. Ze wil de verschillende thema's in twaalf delen integraal en zonder bewerkingen uit geven. ,,Wij willen geen keuzes maken.'' Sakowska is bang dat het archief in handen zal vallen van wat zij de `Shoah business' noemt. Ze is bang dat het archief gebruikt zal worden om politiek mee te bedrijven. Het is een zeer gevoelige zaak. Ze wil er liever niet over praten. Haar visie op het archief – alle gegevens integraal uitgeven – heeft haar al een fikse rel met het Yad Vashem museum in Israel opgeleverd. Het gaat nog altijd om het conflict tussen de Jiddische cultuur en zionisten dat bijna een eeuw geleden losbarstte. Ringelblum was geen zionist. Hij beschouwde zichzelf als Pool.

In de eerder aangehaalde brief schrijft hij: `Twee keer in deze oorlog dank ik mijn leven aan Polen. Één keer in de winter van 1940 toen de gezegende hand van het Poolse verzet mij heeft behoed voor een zekere dood en een tweede keer toen die zelfde hand mij uit het SS werkkamp redde, waar ik was omgekomen door ziekte of een kogel uit een Oekraïens geweer. Mijn persoon is het concrete bewijs dat de mening, die in bepaalde Joodse kingen heerst als zou de Poolse bevolking zich verheugen over het verdwijnen van de Poolse joden, alsof er geen inzet is van mensen met een hart die met ons meelijden en de tragedie van het Joodse volk in Polen ten diepste betreuren, verre van juist is'.

Sakowska ziet het archief als bewijs dat er binnen de muren van het getto een zeer levendig intellectueel leven was. Dat er grote verschillen van mening waren tussen de Joodse Raad en het verzet, maar ook binnen het verzet, tussen de aanhangers van burgerverzet en gewapend verzet. Ze vindt dat al deze facetten openbaar moeten worden.

Het is alleen de vraag of het ooit verder zal komen dan de drie publicaties die nu min of meer klaar zijn. ,,De belangstelling voor dit archief als geheel is helaas niet erg groot'', verzucht ze. ,,Daar komt nog bij dat het grootste deel van het Ringelblum-archief in Jiddisch is. Er zijn nauwelijks meer historici die dat nog kunnen lezen.''

Ik schrijf je voor de derde keer en helaas heb ik tot op heden nog niets van je gehoord

Je kunt aan de brieven exact zien op welk moment mensen in de gaten kregen wat Hitler van plan was