LIEVER NAAILES

Het analfabetisme in Afrika is gedaald tot 39%, maakte unesco deze week trots bekend. Maar de kwaliteit van het onderwijs loopt achteruit. Zoals in Ghana.

In de schaduw van een breed afdak zit een groep meisjes in roze jurken aan de hoofdstraat van Nkwanta. Ze werken in een van de duizenden naaischooltjes annex ateliers in Ghana. Perpetua is een van hen. ``Toen ik op de lagere school begon, waren we met bijna tweehonderd meisjes: 83 haalden het eind en daarvan gingen er vijftig naar de middelbare school. Maar die stoppen één voor één en komen alsnog hier, om te leren werken. Die hebben dus hun tijd verspild.''

Ghana heeft de laatste tien jaar een grote ontwikkeling doorgemaakt. Elektriciteit en asfalt komen tot in alle middelgrote centra in het hele land. In de meest welvarende streken zijn banktransfers en telefoonboetieks de gewoonste zaak van de wereld voor mensen die de taal van de drums nog niet vergeten zijn. Maar of die ontwikkeling houdbaar is, is de vraag, want schoolverlaters kunnen steeds minder goed rekenen en schrijven. In de magere jaren '70 en '80 vonden duizenden Ghanese onderwijzers beter betaald werk in buurlanden. Het was een aderlating die het onderwijs nog altijd parten speelt. Eind jaren '80 besloot Ghana samen met de Wereldbank om in te grijpen. Ten eerste moesten er veel meer kinderen naar school en ten tweede moest het onderwijs praktischer zijn en directer bijdragen aan de ontwikkeling van het land. Maar het moest ook goedkoper en het resultaat is er naar.

Net als zoveel ex-koloniën had Ghana zich volgens de donoren te veel luxe veroorloofd door hoge uitgaven aan het hoger onderwijs. Dat zou maatschappelijk maar weinig rendement opleveren, hadden economen berekend, die overigens alleen keken naar de directe kosten en belastingopbrengsten die een staat kon innen van groepen mensen met verschillende niveaus van onderwijs. De nadruk in ontwikkelingslanden moest liggen op het lager onderwijs.

Het leek een koud kunstje om de efficiëntie van het Ghanese onderwijssysteem te verhogen. Met een vierjarige middleschool tussen het primaire en secundaire onderwijs in (een erfenis van de Engelse kolonisator) had het land het langste onderwijstraject ter wereld. De zeventien jaar pre-tertiair onderwijs konden gemakkelijk worden ingedikt tot twaalf. De middleschool verdween. Het basisonderwijs is nu opgedeeld in zes jaar lagere school en drie jaar Junior Secondary School (JSS). De middelbare school, Senior Secondary School (SSS) duurt drie jaar. De eerste negen jaar onderwijs zijn verplicht en `gratis'. Het hervormingsprogramma stamt uit 1986, maar omdat resultaten uitbleven kreeg het in 1996 een nieuwe naam (FCUBE, Free Compulsory Universal Basic Education). Het moet zorgen voor meer onderwijs, meer gemotiveerde onderwijzers, beter bestuurde scholen en meer schoolgebouwen.

De Ghanese bevolking groeit snel, maar doordat de studieduur verkort is kan een groter aantal kinderen van schoolgaande leeftijd sneller door het systeem stromen. Dat is bereikt. Het aantal inschrijvingen op de lagere scholen is de laatste tien jaar inderdaad gestegen. Maar de drop-out ook. In sommige streken stopt meer dan driekwart van de leerlingen voor de laatste klas. Nog altijd volgt slechts 57% van de meisjes en 43% van de jongens lager onderwijs, volgens cijfers van het Integrated Social Development Centre in Accra. En het aantal inschrijvingen aan het middelbaar onderwijs daalt, zowel relatief als absoluut.

Waarom? Behalve dat het onderwijs te weinig oplevert (de examens van de West African Examinations Council worden door JSS-leerlingen steeds slechter gemaakt), vinden ouders het duur. De overheid betaalt voor de schoolgebouwen, de salarissen en in principe voor de boeken. In de praktijk kopen ouders niet alleen boeken en schriften, maar ook schooluniformen, een tafel en kruk voor hun kind, en ze betalen `ouderbijdragen' voor allerlei doelen die de onderwijzers aannemelijk kunnen maken.

Niet alleen aan leermiddelen, ook aan goede onderwijzers is gebrek. Bovendien zijn veel onderwijzers uren of dagen absent om andere inkomsten te regelen, want ze verdienen niet veel. In Ghana's socialistische tijd werden de salarissen aangevuld door een rits toelagen voor wonen, aanwezigheid, anciënniteit, verantwoordelijkheid (van het schoolhoofd en de gymleraar), fietsonderhoud en wat dies meer zij. Maar sinds het land in zee is gegaan met de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds, worden die natuurlijk geleidelijk geschrapt. Dat, en het feit dat de uitbetaling van salarissen in sommige districten maanden op zich laat wachten, heeft sinds eind 1999 geleid tot stakingen door het hele land.

extra les

Om de motivatie van de onderwijzers te vergroten geeft het Ministerie van Onderwijs samen met UNICEF nu prijzen aan goede onderwijzers. De beste, een leraar van de Presbyterian Secondary School in de hoofdstad Accra, kreeg dit jaar een auto. Meer effect hebben waarschijnlijk ouderverenigingen die onderwijzers extra betalen om 's middags na schooltijd nog twee uur extra Engels en rekenen te geven, aan de hele klas.

Het tweede ideaal dat de Ghanese overheid met betrekking tot onderwijs voor ogen staat is dat het lager en middelbaar onderwijs beter afgestemd moest zijn op de behoeften aan arbeid van een zich ontwikkelend land. Kinderen zouden meer technische en maatschappelijke vaardigheden (`life skills') moeten leren.

Volgens het ministerie kan het gaan om zulke uiteenlopende technieken als metselen, timmeren, naaien (voor meisjes) en kleermaken (voor jongens), kralen, hoeden en poëzie maken. Welk van die vakken een school biedt hangt af van wat de gewone onderwijzer of in sommige gevallen de speciaal aangetrokken techniekonderwijzer kan. Naaien is veruit het populairst. Een Junior Secondary School in de kustplaats Elmina, niet bepaald een verwaarloosde streek, kon een metselaar krijgen. Geen goeie, want dan had die wel ergens anders werk gevonden. Het hoofd van die school, Francis Esiaka, liet een werkplaats bouwen waar de leerlingen muurtjes metselen. ``Maar hoe ze er een raam in moeten zetten, leren ze alleen in theorie. Daar hebben we het materiaal en de kennis niet voor. En dan is het hier nog beter dan op de meeste scholen. Voor timmerles is er nooit meer dan één zaag: meester zaagt en de kinderen kijken.''

De klacht dat scholen geen gereedschappen voor technische lessen kunnen betalen, is wijd verbreid. ``Maar ze maken prachtige dingen met lokale materialen'', zegt een adviseur van de minister, ``manden van boombast en gras bijvoorbeeld.'' Maar schoolhoofd Esiaka ziet het nut van het vak `technische vaardigheden' niet in. ``Op zijn best zijn er per week 105 minuten voor. Wat kan een kind dan leren?''

Wie op school zijn heil blijft zoeken in academische vorming en de SSS met goede examens afsluit kan naar de universiteit. Hij of zij moet dan twee jaar wachten tot er plaats is. De twee universiteiten, die ooit op enkele duizenden studenten waren berekend, zijn overbevolkt. Strenge selectie aan de poort is politiek ongewenst, en de Ghanese bevolking is nu eenmaal in twintig jaar verdrievoudigd.

salarissen

De Wereldbank bekeek onlangs waarom er van de mooie plannen zo weinig terecht komt. Vijfendertig procent van het Ghanese Bruto Nationaal Product wordt besteed aan onderwijs, maar leermiddelen komen niet op hun bestemming. Het ministerie van Onderwijs betaalt driemaal zoveel aan salarissen als alle ander ministeries samen, maar de salarissen voor onderwijzers, leraren en professoren zijn laag en worden geregeld per ongeluk helemaal niet uitbetaald. Alleen de voorgenomen extra schoolgebouwen komen er in snel tempo. Daar zorgen de overheden op districtsniveau voor, want daar verdienen ze aan, doordat ze goedkoper laten bouwen dan ze in hun budget aan de centrale overheid opgeven.

Een van de conclusies van de Wereldbank is dat Ghana te weinig kundige ambtenaren heeft. Er waren te veel hervormingsplannen tegelijk, en ambtenaren en politici misten het overzicht. Dat past in de recente inzichten bij de Wereldbank over het belang van hoger onderwijs. Het was kortzichtig, zeggen de laatste rapporten, om het rendement van lager en hoger onderwijs alleen te meten in termen van het geld dat een student kost en later weer aan belasting afdraagt. Elk land heeft voldoende mensen met een hoge opleiding nodig – niet alleen gespecialiseerde, maar juist ook algemene opleidingen – om te ontwikkelen en om behoorlijke plannen te maken en uit te voeren.