LÀM-ME-TJE - KLÀP-KLAP-KLAP

Op peuterspeelzaal 't Blokkendoosje van basisschool De Liniedoorn in Breda is een jongetje met zwarte krullen ingespannen bezig een oranje houten driehoek in te passen in een plankje met een uitgesneden cirkel, rechthoek, vierkant en driehoek. ``Dat is typisch Piramide-speelgoed'', zegt Paul Leseman, onderzoeker bij het SCO-Kohnstamm Instituut. ``Zo leren kinderen sorteren en dingen op een rijtje zetten. Dit is speelgoed dat veel allochtone kinderen, en Nederlandse kinderen uit achterstandsgebieden, niet bezitten. Basisscholen gaan er echter van uit dat ze dit soort dingen wél thuis geleerd hebben en dus start zo'n kind meteen met een achterstand.''

Piramide en Kaleidoscoop zijn voorschoolse lesmethodes: doorlopende programma's bestemd voor peuters en kleuters van drie tot zes jaar, vanaf de peuterspeelzaal tot en met groep twee. In beide programma's maken de peuters met drie of vier dagdelen peuterspeelzaal, tegenover de twee dagdelen die gebruikelijk zijn, een vliegende start. Leseman onderzocht de effecten van beide programma's ten opzichte van een controlegroep kinderen met een soortgelijke sociale achtergrond in het regulier onderwijs. Onlangs verscheen de eindevaluatie met bemoedigende resultaten.

``Vandaag ga ik op vakantie naar Duitsland. Maar ik ga eerst naar school, anders word ik slecht.'' Ahmet is zeven – ``ik word over dertien dagen acht'' – en zit in combinatieklas 2/3 van basisschool De Liniedoorn, een zorggroep voor uitschieters naar beneden én naar boven. Ahmet kleit een paasmandje. Kleien is zijn lievelingswerkje, samen met spelen aan de zandtafel. De methode Piramide kent iedere dag met een half uurtje spelinloop, waarin de kinderen vrij een werkje kunnen kiezen en iedere vrijdagochtend mogen de ouders meespelen. Zij worden per brief geïnformeerd over het nieuwe thema dat behandeld zal worden, welke liedjes en boekjes daar bij horen en welke spulletjes de kinderen mee mogen nemen voor de bij het thema horende `ontdektafel'. ``Dat is vrij uniek'', weet Leseman. ``Het is heel belangrijk dat ouders kunnen reageren op wat hun kind vertelt over school. Als school kun je niet veel meer doen dan informatie meegeven, maar ik vind dat dit vanuit welzijn veel meer ondersteund zou moeten worden.''

Na de spelinloop wordt alles opgeruimd en gaan de kinderen in de kring rond de mat zitten. Juf Mancy van der Eijnden verdeelt de mat in vieren: lente, zomer, herfst en winter. Ze zet een doos vol kledingstukken in het midden, waar de kinderen één voor één iets uit mogen pakken en het in het juiste vak neerleggen. ``Wat is dit Ahmet?'' vraagt ze als hij een zwempak uit de doos vist. ``Een bikini'', antwoordt hij. ``Ha, ha'', lacht de rest van de klas. ``Wat hadden wij afgesproken?'' vraagt Van der Eijnden streng. ``Als een kindje zich vergist lachen wij niet. Het is een zwempak, Ahmet. En bij welk seizoen hoort het?'' ``De zomer'', zegt hij en hij legt het zwempak keurig naast de waterschoenen.

Piramide en Kaleidoscoop zijn beide sterk gericht op woordenschatontwikkeling, maar hebben elk een eigen aanpak. In Piramide is de aanpak wat gestructureerder, met elke twee weken een nieuw thema, waar speciaal ontwikkelde woordenlijsten op aansluiten. In alle groepen die met Piramide werken wordt de lente behandeld, maar bij de peuters houdt het op bij lammetjes en krokusjes, terwijl in groep twee het verband wordt gelegd met de andere drie seizoenen. De woordenschat wordt thematisch uitgebreid: bij een lammetje hoort wol daar kun je een trui van breien. Zo wordt ieder onderwerp steeds meer uitgediept en wordt er steeds abstracter gewerkt.

In Kaleidoscoop leren kinderen `plannetjes' te maken: in de kring beslissen ze welke werkjes ze willen gaan doen en na afloop worden de plannen besproken. Het programma stimuleert het zelfstandig leren en problemen oplossen. Basisschool Beppino Sarto in Eindhoven werkt met Kaleidoscoop. In het lichte klaslokaal hangen kaartjes met woorden. Op de muur hangt een kaartje `muur', op de deur hangt een kaartje `deur'. Zo krijgen de kinderen en passent gevoel voor woordbeeld.

``Ik doe oren op mijn kroon'', denkt Kayleigh (6) hardop over de versieringen die ze vandaag op haar lentekroon gaat plakken. Haar blik glijdt langs de repen gekleurd papier, de veertjes, papiersnippers, zilverkleurige muntjes, watten en kroonkurken die op de tafel liggen uitgespreid. ``Nee, toch maar bloemetjes'', besluit Kayleigh. ``Of oren?'' Ze kijkt eens naar haar buurman Erdinc (6) die al druk in de weer is om twee blauwe oren aan zijn gele kroon te plakken. Met zijn handjes vol lijm stapt hij op de juf af. ``Juf, deze zit verkeerd'', zegt hij terwijl hij beteuterd zijn kroon laat zien waaraan hij één oor ondersteboven heeft geplakt. ``Ja, hoe kun je dat oplossen?'' vraagt juf Thea van Engelen op haar beurt. ``Gewoon eraf trekken'', zegt Jordi (5). ``Probeer maar eens'', zegt juf Thea, ``maar heb je ooit een haas met blauwe oren gezien?'' Ze trekt haar wenkbrauwen op. ``Ik weet dat ik het niet mag zeggen'', bekent ze, ``want in Kaleidoscoop gaat het ook om vrij omgaan met materialen, maar dat is één van de dingen die ik nog moet afleren.''

Thea van Engelen staat al jaren voor de klas. Samen met haar collega Marie-José Swart draait ze groep twee. Het werken met twee docenten is kenmerkend voor Kaleidoscoop. In Piramide wordt gebruik gemaakt van tutoren, die kinderen veelal individueel, buiten de les bijspijkeren. Op de Liniedoorn wordt bijna de helft van de kinderen getutord. Tutor Jolanda van de Korput: ``Ik leer ze bijvoorbeeld een versje wat ze de volgende dag in de klas krijgen. Of we gaan lettergrepen klappen.'' Ze doet het voor. Lam-me-tje: klap-klap-klap. Ook het onderwijs in de eigen taal sluit aan bij het thema dat de klas behandelt. ``Dat is heel belangrijk voor een gebalanceerde tweetaligheid'', zegt Leseman. ``Deze kinderen zullen nog heel lang in hun moedertaal blijven communiceren, dus zo kunnen zij blijven profiteren van een rijk taalaanbod.'' Knelpunt in het systeem van tutoren en twee docenten per groep is het tekort aan docenten. Ziekteverzuim leidt er toe dat tutoren gewoon voor de klas komen te staan.

De verschillen tussen beide programma's hebben volgens Leseman niet of nauwelijks effect op de resultaten. ``We weten niet welk programma het beste werkt voor deze groepen, maar beide scoren goed.'' Beide voorschoolse programma's boeken de sterkste resultaten op het gebied van woordenschat, tekstbegrip en begripskennis. Kinderen kennen niet alleen meer woorden, maar kennen ook meer verbanden tussen woorden en ze kennen de diepere betekenis ervan. Dat is enorm belangrijk voor hun verdere schoolcarrière. Pas als je weet wat `hoeveel' betekent kun je begrijpen wat de juf bedoelt met `hoeveel bloemen zie je hier?'

De goede resultaten worden helaas door de praktijk voor een deel ingehaald, vertelt Leseman. Hij vond dat de controlegroep instroomde in witte scholen, terwijl de experiment-kinderen voor het merendeel instroomde in zwarte scholen. Dit bleek een neerdrukkend effect te hebben op de resultaten van het programma. Leseman: ``Dat maakt mij bezorgd voor de effecten op de lange termijn, want het zijn programma's die bij uitstek draaien op scholen met achterstandskinderen.''