Journaal

Een Nederlandse vakbondsbestuurder, hij heette Etty, mocht het afgelopen weekeinde Indonesië niet in. Hij zou daar een congres bijwonen, maar kwam niet verder dan het vliegveld. Zijn paspoort werd gecontroleerd en hij kon vertrekken.

In het NOS-Journaal, altijd goed voor een vrolijke noot, zeiden ze a. dat er in Indonesië voor dit soort gasten een zwarte lijst bestond, b. dat deze lijst uit de tijd van Soeharto stamde, c. dat de betrokken functionaris in die tijd desondanks herhaaldelijk in Indonesië was toegelaten, en d. dat het bestaan van een zwarte lijst door de Indonesische autoriteiten met klem werd ontkend.

We hebben hier kortom van doen met een regeling waarmee de hand werd gelicht toen zij geldig was, en die wordt toegepast nu zij geacht wordt te zijn opgeheven.

Laten we vooropstellen dat je altijd achteraf pas kunt verklaren waarom je bij een bepaald bericht in de lach schiet. Niet bulderend hoor, een beetje maar. Het is ook niet meer dan een glimp – net zoals je op zekere avond vanuit de trein een glimp kunt opvangen van een droevig verlichte huiskamer, een vrouw die zich over de strijkplank buigt. Je voelt zo'n moment geweldig opzwellen. Je ziet in dat tafereel het hele leven, in die vrouw de hele mensheid. En het is alweer voorbij.

In dit geval: de lotgevallen van een brave vakbondsman, een glimp van de wereld van de bureaucratie, de dans om de voorschriften, het spel van superieuren en ondergeschikten. In mijn vrolijkheid zit iets van het loswoelen van het sediment van dingen die ik zelf op dit vlak heb meegemaakt, of nee, vooral van dingen die ik op dit vlak gelezen heb, iets van soldaat Sjweik van Jaroslav Hasek, iets van soldaat Tsjonkin van Wladimir Wojnowitsj, iets van Catch 22 van Joseph Heller. Inderdaad: soldatenboeken, oorlogsverhalen. Dat zal wel geen toeval zijn. Oorlog is nu eenmaal van alles het summum, ook van humor.

En dan is het alweer voorbij.

Dan moeten we ons voorlopig weer verhelpen met de behaspelingen van Philip Freriks. Niet geestig, erg leuk.