Het mijnenveld dat liefde heet

Een boodschap wint aan kracht naarmate je die vaker herhaalt. Deze opvatting, in praktijk gebracht door vele profeten, wordt zeker gedeeld door de Marokkaanse zangeres Najat Aatabou. In het Tropeninstituut herhaalde zij op een welhaast rituele manier bijna alles wat zich daarvoor leende. Van ritmische accenten en instrumentale riedels tot fel gezongen frasen in litanie-vorm. Soms last ze hijgend een korte stop in maar dan dendert haar trein weer verder. Het resultaat is een opgewonden sfeer die doet denken aan een gospelhappening in een zwarte kerk, al is de bijval nu 'haj, haj, haj' in plaats van 'oh yeah, oh yeah'.

Een beschaafd ventielzedenfeest, zo mocht men het concert wel noemen dat Aatabou gaf in het kader van het project 'Vlinders in je Buik - Jonge moslims en liefde'. Na felle discussies over gevoelige thema's, van maagdelijkheid tot gemengde relaties, was het tijd voor lichaamstaal. Dat vooral jonge vrouwen die beheersten werd al duidelijk na een paar minuten toen de eerste meiden uitdagend hun zitplaats verruilden voor een metertje dansruimte vlak voor het podium. Al snel was het daarna ook in de gangpaden 'ladies night'.

Als een vrouw die je moeder had kunnen zijn zingt dat ze er genoeg van heeft dat mannen altijd de eerste viool spelen, wat doe je dan als man? Je telefoonnummer opschrijven en hopen dat de queen van de avond je opbelt, zoals ze belooft in overweging te nemen.

Want jonge Nederlandse vrouwen met Marokkaanse `roots' hebben net als Aatabou wel wat anders te doen dan hunkerende mannen te gerieven. Als alles meezit vinden ze tussen hun examens en baantjes door soms even de tijd voor een voorzichtige verkenning van het mijnenveld dat liefde heet. Een man die aandringt op een hoger tempo en aanstuurt op een explosie is behalve ongeduldig ook nog dom. En dus niet de ware `habibi' om een leven mee te delen. Aan vrouwen die toch aan zo'n held blijven plakken geeft Aatabou een dringend advies: ga op zoek naar een andere minnaar.

Concert: Najat Aatabou. Gehoord: 22/4 Tropeninstituut, Amsterdam.