Examineren

EXAMINEREN IS NOOIT honderd procent objectief. Zolang kennis en vaardigheden niet getoetst kunnen worden aan onbetwistbare criteria, blijven er marges. Zelfs de meerkeuzetoets, waarin alleen a, b, c of d mogelijk is, kan fouten bevatten en is dus niet sluitend.

Maar dat betekent geenszins dat er niet gestreefd moet worden naar één lijn. Dat nu is in Nederland volgens de Onderwijsinspectie onvoldoende het geval. De beoordeling van examens is te zeer een individuele zaak van docenten. Op middelbare scholen heeft dat te maken met het systeem. Omdat het centrale eindexamen maar voor de helft meetelt, hebben leraren soms de neiging voordien met de stof of de beoordeling ervan soepel te zijn, zodat de leerlingen wat speling overhouden. Op hogeschool en universiteit is er helemaal geen externe controle op het tentamineren. De visitatiecommissies beoordelen de opleiding in brede zin.

In alle geledingen is er bovendien een heimelijk motief voor deze oncontroleerbare flexibiliteit. Scholen en universiteiten worden gefinancierd op hun `output'. Wie strenger is dan anderen, loopt het risico zichzelf in de vingers te snijden. Verbetering is bovendien niet in zicht. ,,De kwaliteit komt juist verder onder druk te staan'', aldus inspecteur-generaal Mertens, die eergisteren zijn Onderwijsverslag 1999 heeft gepresenteerd. Mertens pleit daarom voor een striktere scheiding van belangen.

DEZE CONCLUSIES over het wisselvallige en subjectieve examineren in Nederland springen het meest in het oog. Dat is op zichzelf begrijpelijk, maar niet helemaal terecht. Natuurlijk mag het niet zo zijn dat op de ene school een 5 een 6 wordt omdat docenten hun leerlingen uit `achterstandsmilieus' een steuntje in de rug willen geven, en dat op de andere school om tegenovergestelde redenen moeilijker wordt geëxamineerd en een 5 ook nog eens een 5 blijft. Toch is dat slechts de helft van het verhaal.

Examens zijn het einde van een keten. Juist met die keten is het grondig mis. Het Onderwijsverslag kraakt daarover harde noten. Met name de lesuitval begint epidemische vormen aan te nemen. In het middelbaar beroepsonderwijs (MBO) lopen de leerlingen 25 procent van hun tijd met hun ziel onder de arm omdat er geen leraren zijn om daadwerkelijk les te geven. Het is dan ook niet vreemd dat de kwaliteit van dit type onderwijs ,,ronduit slecht'' is, zoals Mertens zegt. In het voortgezet onderwijs (MAVO, HAVO en VWO) is het aantal lessen dat niet wordt gegeven in één jaar verdubbeld van vijf tot bijna tien procent. Dat heeft weliswaar grotendeels te maken met het vergader- en cursuscircus waarin de docenten door `tweede fase' en `studiehuis' verzeild zijn geraakt. Maar het is niet de enige reden, zoals in het basisonderwijs blijkt, waar inmiddels zeven procent van de lessen door ziekte en vacatures vervalt. Als dat zo doorgaat, zal Mertens' kwalificatie over het MBO binnen afzienbare termijn bredere geldigheid krijgen.

HET LERARENTEKORT is volgens het Onderwijsverslag de werkelijke en ,,voortdurende bedreiging'' voor de kwaliteit van het onderwijs. Daar is niets te veel mee gezegd. Het is helaas geen antwoord op de gevaarlijke paradox die het onderwijs in zijn greep heeft. Omdat de economie steeds afhankelijker wordt van kennis, dient het onderwijs alleen maar beter te worden. Tegelijkertijd verliest het onderwijs juist prestige door die groeiende kenniseconomie, waar veel meer geld wordt verdiend dan voor de klas. Betere arbeidsvoorwaarden voor docenten kunnen die vicieuze cirkel van private rijkdom en publieke armoede slechts ten dele doorbreken. Men zou bijna gaan hopen op een recessie.