Een gedachtestroom afdammen

Na raadpleging van de Van Dale en het Etymologisch Woordenboek heb ik voor privé-gebruik een omschrijving van de verschijnselen `discussie' en `debat' in elkaar gezet. Het gaat om een aan regels gebonden open uitwisseling van vrije gedachten rond een bepaald thema op basis van redelijke argumenten, die over en weer mogen worden gewogen op voldoende bewijsgrond. Een debat is een openbare discussie naar aanleiding van een voordracht of voorstel. Een belangrijke regel is dat men alleen elkaars argumentaties, niet elkaars motieven kan betwisten. Vruchtbaar discussiëren is dan ook zwaar hersenwerk. Het vergt in de eerste plaats aandachtig luisteren. En vervolgens een meedenken met de argumentatie van de ander om precies te pakken te krijgen waar wellicht iets niet klopt in diens redenering. Zulk meedenken is ook noodzakelijk om de kern van een eventueel meningsverschil te kunnen blootleggen. Anderzijds leidt zo'n instelling als het goed is ook tot een openstaan voor een gedachtegang waar men uit zichzelf niet op was gekomen.

Het vruchtbaarst is overigens een discussie waarin men niet alleen eigen standpunten verdedigt, maar waar men over en weer veronderstellenderwijs durft te redeneren zonder te weten wat daarvan de uiteindelijke gevolgtrekkingen zullen zijn. Voor mij is juist dat een kenmerk bij uitstek van een intellectuele discussie: spelen met uitgangspunten en gedachten. Soms leidt dat tot verrassende nieuwe ideeën, soms – misschien ook wel vaker – tot de conclusie `nee, dit leidt nergens toe, onzin, ophouden'. Maar het houdt de gedachtewisseling spannend, levendig en progressief. Het betekent wel dat je elkaar wat dat betreft krediet moet geven. Niet meteen moet roepen `maar dat kun je toch niet menen!'. Het gaat niet om menen, maar om kritisch doordenken op basis van een tentatief uitgangspunt en kijken waar je op uitkomt. Ook de methode waarbij iemand advocaat van de duivel wil spelen en een stelling verdedigt die niemand van de aanwezigen in eerste instantie acceptabel vindt, kan heel verhelderend werken voor de eigen gedachte- en meningsvorming.

Het afdammen van een gedachtestroom, omdat niet op het eerste gezicht alle goede argumenten zich aandienen is de dood in de pot voor het intellectuele debat. Samen zoeken naar argumenten is veel belangrijker dan ze ieder voor zich al paraat hebben.

Wie zich al deze inspanning niet wil getroosten staan enkele gemakstechnieken ten dienste. Om een discussie in de kiem te smoren is het bijvoorbeeld heel effectief iemand dubieuze motieven toe te schrijven. Niemand hoeft zich dan verder nog in te spannen om over de validiteit van argumenten na te denken. Of men kan een bepaalde uitspraak losrukken uit het verband van een onderbouwende context en vervolgens beoordelen als uit de lucht gegrepen. Grote stoorzenders voor een discussie zijn ook degenen die gaan schelden, wat niet alleen niet netjes, maar ook niet intelligent is.

Discussianten zouden in dit verband wel wat kunnen leren van het brainstormen, dat weinig intellectuele pretentie heeft, maar waarbij wel als eerste stelregel geldt dat het is verboden om iemands suggestie of associatie meteen te beoordelen.

Veel van wat discussie of debat wordt genoemd valt, gemeten naar de bovengenoemde maatstaven, af. Neem hetgeen door het leven gaat als `Kamerdebat', zoals ook vorige week weer enkele zijn gevoerd. Daar is geen sprake van een vrije gedachtewisseling, waarin meningen worden gevòrmd. De meningen staan al vast, want zijn beklonken in partijprogramma's en regeerakkoord. Argumenten hebben plaats gemaakt voor het eigen ideologisch gelijk. En wie wil spelen met gedachten, moet zijn mond houden, want speelt met electoraal vuur. Advocaten van de duivel zijn helemaal verboden, want zouden alleen maar de tegenpartij in de kaart spelen. Ook hoort men nogal eens dat motieven van andersdenkenden in twijfel worden getrokken – `de geachte afgevaardigde speelt in op dubieuze sentimenten in de samenleving'. Einde van wat nooit een discussie was. In de Kamer wordt dan ook niet gedebatteerd, maar onderhandeld. Meer autowegen tegen meer handen aan het bed. Geen algemene lastenverlichting tegen geen alomtegenwoordige tolpoortjes.

Met de zogeheten maatschappelijke discussies is het al niet veel beter gesteld. Er zijn er, naar ik begrijp, nu twee gaande. Eén over de rol van het staatshoofd en één over nieuwkomers in haar koninkrijk. Ook hier liggen de lijnen waarlangs mag worden gedacht van tevoren vast. Wie zich daarbuiten begeeft wordt verdacht gemaakt. Niet twijfelen, niet op de tast van de rede zoeken naar oorzaken, gevolgen en remedies. Men moet zeker weten voor men zich uitspreekt. Dat dit niet tot vruchtbare discussie, slechts tot vruchteloos gekrakeel leidt, neemt men voor lief.

Er wordt wel gezegd dat in het Nederlandse onderwijs de kunst van het debatteren niet wordt bijgebracht. Dat zal best waar zijn. Maar dat is ook niet voor niets. Men houdt hier niet van het risicovolle gedachtespel en zoekt de veilige dekking van het politiek-maatschappelijk correcte.

Echte discussies en debatten vinden dan ook in beslotenheid plaats. Zonder toehoorders, achterbannen en notulen.