Debat over monarchie is oppervlakkig

Republikeinen doen een beroep op zogenaamde logica, die zou verbieden dat in een vrije democratie een erfelijk staatshoofd gehandhaafd blijft. In de politieke geschiedenis van Nederland heeft nooit een zo streng dogmatische logica het staatsbestel beheerst, meent E.H. Kossmann.

Tijdens EK-voetbal gaat de volkswil in oranje gekleed

Republikeinen doen Franse revolutie over

De Nederlandse staat is vier eeuwen oud. Hij begon omstreeks 1590 vorm te krijgen en zich in de praktijk als een onafhankelijke mogendheid te gedragen. In de jaren 1580 waren de rebellen die zich al twee decennia tegen de landsheer Filips II verzet hadden, door de bittere omstandigheden gedwongen geweest drastische oplossingen te zoeken. In 1581 verklaarden zij dat de koning zijn soevereiniteit had verloren omdat hij een tiran was geworden. Vanaf 1582 overlegden de Staten van Holland en Zeeland over de mogelijkheid Willem van Oranje tot graaf te benoemen maar voor dat rond was werd de Prins vermoord (1584). In 1585 vroegen de Staten-Generaal de Franse koning Hendrik III om de soevereiniteit over te nemen. Die weigerde. Toen richtten zij zich tot de Engelse koningin Elizabeth maar die weigerde eveneens. Zij bood echter wel enige hulp en zond de Graaf van Leicester om orde te scheppen. Er kwam niets van terecht. In 1588 werd de bizarre episode beëindigd. Er viel toen niets meer aan te doen: het nieuwe staatje was een republiek waarvan de soevereiniteit lag bij de Staten-Generaal of de Provinciale Staten, dat wist men nog niet precies. Later pas bleken het de Staten-Provinciaal te zijn.

In deze republiek hadden de Oranjes en de Nassaus, zowel politiek als militair een belangrijke positie in hun functie van stadhouder, generaal en admiraal. Sociaal verhieven zij zich boven de leden van de Staten, voor een groot deel stedelijke patriciërs zonder inheemse adelstitels. Toch waren zij formeel aan de Staten onderworpen want die benoemden hen, en die fourneerden bovendien op eigen autoriteit de staatsfinanciën. Het staatsbestel leek daardoor ondoorzichtig. Dit was een uit nood geboren staat, die tegen de wil van de stichters ervan een republiek was geworden. De inwoners leerden de verdiensten ervan in de zeventiende eeuw kennen. Het bestel heeft gedurende vele jaren heel redelijk gewerkt, beter waarschijnlijk dan de als moderner en rationeler beschouwde absolute monarchieën in het buitenland. Het was ook niet ongeordend. Het baseerde zich op grondwetten en kende talloze nauwkeurige regels voor de samenstelling van het bestuur in land, provincies en steden.

Een nationale staat was de republiek, een bond van zeven soevereine provincies, niet. Pas op het einde van de achttiende eeuw werd door de elites een als modern te karakteriseren nationaal besef geformuleerd dat aan de hele bevolking in alle locaties en standen gemeen moest zijn en trots uitdrukte op zekere aan deze bevolking eigen, unieke verdiensten. Dit nationale besef nu werd de oude republiek noodlottig. Het keerde zich in de jaren 1780, al vóór in Frankrijk in 1789 de revolutie uitbrak, tegen de traditie. Voorlopig mislukte die aanval maar toen de Fransen in januari 1795 het land veroverden stortte het versleten republikeinse regime in elkaar. Stadhouder Willem V vluchtte, de regenten trokken zich in hun buitenhuizen terug, de Statenvergaderingen maakten plaats voor gekozen parlementen. De oude grondregels van het bestuur werden opgeruimd. Het was tijd geworden voor het ontwerp van een volledig doordachte, rationele, op principes gebaseerde democratische grondwet die een nieuwe eenheidsstaat zou scheppen. In 1798 werd de grondwet eindelijk aanvaard, en het is nog altijd aardig het document door te lezen. Indien hedendaagse republikeinen in het Nederlandse verleden inspiratie zoeken moeten zij niet, zoals zij vaak doen, verwijzen naar de Afzwering van 1581, want dat stuk is geen republikeins manifest, maar naar de, overigens onder Franse invloed staande, Staatsregeling van 1798. Zij zijn geen erfgenamen van Nederlandse successen uit de zeventiende eeuw maar van de Bataafse hervormers 1798.

Het was echter een ongunstig moment voor duurzame innovatie. Frankrijk dwong Nederland de Franse ontwikkeling te volgen. Die leidde in 1799 naar de dictatuur en in 1804 naar het keizerschap van Napoleon. De Nederlandse grondwet van 1798 werd al in 1801 ontdaan van heel wat democratische trekken; in 1805 werd het bestuur toevertrouwd aan een dictator, die raadpensionaris werd genoemd; in 1806 benoemde keizer Napoleon zijn broer Lodewijk tot koning van Holland. Het koningschap is in Nederland dus door de Fransen geïmporteerd. In 1810 begon het laatste bedrijf: Napoleon deed wat Hitler zou vermijden; hij annexeerde Nederland en voerde de dienstplicht in. Er was aan de Franse aanwezigheid die in 1795 door velen was verwelkomd, niet veel aardigheid te beleven en toen de keizer in oktober 1813 bij Leipzig verslagen werd, begon in Amsterdam en Den Haag een bescheiden poging het land te bevrijden zonder hulp van buiten af te wachten. Op 30 November landde de erfstadhouder Willem VI in Scheveningen en hij kwam terug in een land dat hem tot zijn verbazing omhelsde als symbool en drager van de nieuwe onafhankelijkheid en met macht overstelpte. Hij werd tot Soeverein Vorst verheven en al spoedig tot koning Willem I.

Het is vaak beweerd dat het Oranje-koningschap min of meer natuurlijk uit het stadhouderschap is voortgekomen. Dit is onjuist. Willems verheffing tot soeverein vormde een radicale breuk met de traditie van de Prinsen van Oranje die (op een kortstondig initiatief in 1675 na) geen formele soevereiniteit hadden nagestreefd.

Dat in de buitengewoon onduidelijke toestand van 1813 en 1814 Willem van Oranje tot hoge verantwoordelijkheden werd geroepen, was geheel in lijn met precedenten uit de zeventiende en achttiende eeuw. Van 1650 tot 1672 had het gewest Holland geen stadhouder. Toen de Fransen in 1672 het land overvielen waren de regenten snel bereid het stadhouderschap te herstellen. In 1747 herhaalde zich dit. Ook toen heerste er verwarring en angst en haastten de Hollanders, die sinds 1702 geen stadhouder hadden gehad, zich de functie opnieuw te vervullen. Wanneer men de periode 1795 tot 1813 beschouwt als het derde stadhouderloze tijdperk dan past de dankbare ontvangst van Willem VI op het eind ervan keurig in de traditie. Het koningschap deed dat niet. Dat was een aanpassing aan de al door Napoleon begonnen en door de Europese politici na zijn val voortgezette strategie om door de accentuering van het monarchale principe, enigszins gematigd door een constitutie, de in de jaren 1780 en 1790 vrijgekomen revolutionaire impulsen te bedwingen. De instelling van een Nederlands koningschap volgde een Europees, niet een specifiek nationaal patroon. Nederland hield op een uitzondering te zijn. Het voegde zich in de Europese orde.

Toch slaagde de Nederlandse monarchie erin het uit de late achttiende eeuw daterende en enige tijd door anti-orangistische en antistadhouderlijke emoties gezwollen nationale besef om zich heen te verenigen. Orangisme had zich ook in de zeventiende en achttiende eeuw vaak en luid geuit, maar nationaal in de moderne zin van het woord was het toen niet. Dat werd het in de negentiende eeuw wel. De vorst werd tot symbool van onafhankelijkheid, eenheid en nationale deugd verheven. De drie koningen van de negentiende eeuw pasten overigens niet harmonisch in deze rol. Willem I, veruit de beste van de drie, probeerde juist de Nederlandse bevolking in één grote natie met de Belgische te verbinden en toen dat onmogelijk bleek kon hij zich bij zijn mislukking niet neerleggen. Hij trad in 1840 af, als een mokkende ambtenaar. Zijn zoon Willem II was een onzekere persoonlijkheid. Zijn grootste verdienste is ongetwijfeld geweest dat hij in het Europese revolutiejaar 1848 de tekenen des tijds verstond en daarnaar handelde. De onlusten in Parijs, Wenen, de Duitse landen uit februari en maart joegen hem zo'n schrik aan dat hij de Staten-Generaal dwong Thorbecke een herziening van de grondwet te doen ontwerpen en dat ontwerp ook aan te nemen. De constitutionele monarchie van Willem I die sterk autocratische trekken had vertoond, werd tot parlementaire monarchie omgevormd. Van democratie en volkssoevereiniteit wilde Thorbecke echter niet weten. En evenmin van georganiseerde partijen.

Thorbecke was Orangist noch royalist en van de onhandelbare koning Willem III met wie hij tijdens zijn drie kabinetten te maken had, ondervond hij slechts last. Toch bleef hij monarchist. De monarchie was in zijn ogen een onmisbaar instrument, de hendel die de staatsmachinerie op gang bracht wanneer een kabinet gevormd of in conflictsituaties de Kamer ontbonden moest worden. Dat het principe van erfelijkheid een incapabele persoon op de troon kon brengen, wist hij uit ervaring. Het garandeerde aan de andere kant continuïteit en daardoor een zekere mate van stabiliteit. Vandaar dat de koning deel van de regering diende te zijn. De gedachte, die heden ten dage wordt verdedigd, dat het parlement zèlf het kabinet zou vormen is waarschijnlijk niet bij hem opgekomen. Zowel het dualistische stelsel dat hij voorstond, als het ontbreken van voltijdse vakpolitici in de Staten-Generaal, maakte het idee theoretisch en praktisch onmogelijk.

Bij de dood van Willem III verkeerde de monarchie in een deplorabele staat maar ernstige pogingen haar af te schaffen werden niet gedaan. Koningin-regentes Emma slaagde er in verrassend snel tempo in het koningschap éclat te geven. Zij bouwde het uit tot een door de bevolking toegejuicht symbool van eenheid en nationale trots. Zij en haar dochter Wilhelmina deden dat natuurlijk niet alleen. De burgerlijke elites, van welke denominatie ook, steunden en inspireerden hen omdat zij, zowel verblijd als verontrust door de dynamiek van de maatschappelijke ontwikkeling, de monarchie wilden opvijzelen tot bindmiddel en kern van de natie. Dit was de eigenaardige, nationalistische fase van het koningschap. Zij heeft minstens een halve eeuw geduurd.

Daarna accentueerde koningin Juliana de gewoon-menselijke kanten van de koninklijke persoon en etaleerde Beatrix sinds 1980 de majesteitelijke zijde ervan. Haar monarchie wil zonder twijfel nationaal blijven maar zoekt dit element te verzoenen met de groeiende denationalisering van het bestuur dat veel bevoegdheden aan supranationale lichamen afstaat, een proces dat zij steunt, schijnt het, hoewel het ook op de functie van het koningschap effect zal hebben.

Er is dus alle reden om de plaats en zin van het koningschap te blijven overwegen. Waarom juist nu de discussie wijd open wordt gemaakt, is niet duidelijk. Ook de contouren ervan zijn vaag. De juistheid van De Graafs voorstel om uit de grondwet de regel dat de vorst lid van de regering is te verwijderen, wordt door veel van zijn aanhangers aangetoond met berichten over wat koningin Beatrix zou hebben gedaan, gezegd, gewild of geweigerd die nu juist geen betrekking hebben op haar deelname aan de regering. Het debat heeft dan ook onmiddellijk De Graafs staatsrechtelijke reserves doorbroken en Nederland blijkt ineens te wemelen van republikeinen, semi- en crypto-republikeinen. Om te laten zien hoezeer zij tot de avant-garde behoren herhalen dezen in vereenvoudigde versie de ideeën die in Frankrijk in 1792 een einde maakten aan de monarchie, alsof alle discussie sindsdien over wat ingewikkelde begrippen als volk, volkssoevereiniteit, democratie en representatie nu eigenlijk betekenen, theoretisch zowel als praktisch, er plotseling niets meer toe doet. En dat alles met het beroep op een zogenaamde logica die zou verbieden dat in een vrije democratie een erfelijk staatshoofd gehandhaafd blijft. In heel zijn, in vergelijking met andere Europese landen toch niet onfortuinlijke, politieke geschiedenis heeft in Nederland nooit een zo streng dogmatische logica het staatsbestel beheerst. De logica neemt in elk geval deze zomer nog verlof want tijdens het Europese voetbalkampioenschap zal de soevereine volkswil in oranje gekleed gaan.

Als het voorgaande juist is, blijkt ten eerste dat de republikeinse staatsvorm in de jaren 1580 niet opzettelijk werd gekozen en niet natuurlijkerwijs uit de geschiedenis ontstond; ten tweede dat de monarchale staatsvorm na 1813 evenmin als resultaat van een historische evolutie kan worden beschouwd.

Deze staatsvorm zal over enige tijd als gevolg van de Europese eenwording en de ver buiten het nationale bereik groeiende economische expansie gewijzigd moeten worden, opnieuw dus onder externe druk. Misschien slaagt het land er net als omstreeks 1590 en 1813 in om de breuk voor te stellen en te camoufleren als een etappe in een continu proces. Maar hoe dit zij, naast de positie van het parlement en de aard en de functie van de politieke partijen zal dan ook de zin van het koningschap grondig moeten worden besproken. Dan krijgt de discussie betekenis. Nu is zij toevallig, onvolledig en oppervlakkig.

E.H. Kossmann is emeritus hoogleraar Geschiedenis na de Middeleeuwen aan de Rijksuniversiteit Groningen.