De erfenis van Vietnam

De oorlog in Vietnam maakte een einde aan de combinatie van ideologie en strategie in de Amerikaanse buitenlandse politiek. De Verenigde Staten zullen de schaduw van Vietnam pas echt achter zich hebben gelaten, als weer overeenstemming over het nationale belang kan worden bereikt, meent Henry A. Kissinger.

Een poosje geleden haalden oud-president Gerald Ford en ik herinneringen op aan zijn presidentschap en onze ervaringen in het landsbestuur. Wij waren het erover eens dat de saillante punten in de loop van de jaren dikwijls vervagen. Maar één gezamenlijke herinnering zal nooit haar scherpte verliezen: de pijn en de beklemming van de dag dat de laatste Amerikanen en een zielig hoopje vluchtelingen werden geëvacueerd vanaf het dak van de Amerikaanse ambassade in Saigon.

Op die laatste dag in april 1975 waren Ford en ik helemaal alleen, hij in het Oval Office, ik in het kantoor van de veiligheidsadviseur elders in het Witte Huis, met alleen zo nu en dan een telefoontje van het Pentagon dat meldde dat weer een helikopter vertrokken was. Een maand lang hadden wij de interdepartementale debatten gevolgd die het laatste bedrijf van de tragedie markeerden: moesten de laatste paar Amerikanen zo snel mogelijk worden teruggetrokken om onnodige risico's te vermijden, of moesten wij de aftocht rekken om nog zoveel mogelijk Vietnamezen de kans te geven te ontsnappen? Moesten wij het Congres niet meer om fondsen vragen die Vietnam toch nooit meer zou bereiken, of moesten wij wél steun blijven vragen, om de Amerikaanse nederlaag niet nog verder te bezoedelen door een schandelijke dolkstoot in de rug van een benarde bondgenoot? Ford en ik hadden ons sterk gemaakt voor een langzame aftocht en meer hulpfondsen. De president had het pleit gewonnen, en dankzij Fords loyale bijstand konden 130.000 Vietnamezen de ramp ontvluchten.

Nu haalden de gebeurtenissen het debat in. Wij waren toeschouwers geworden bij een toneelstuk waaraan wij niets meer konden veranderen, zwevend tussen een pijn die wij niet konden stillen en een toekomst waaraan wij nog geen gestalte konden geven.

De mensen die die laatste dag hebben meegemaakt, waarop twee decennia van offers in chaos ten onder gingen, zullen ieder verslag ervan als fragmentarisch ervaren, getekend door het gezichtspunt van iedere hoofdrolspeler afzonderlijk. De mensen wie deze smartelijke momenten bespaard zijn gebleven, zullen van de hevige emoties niets begrijpen. En aan de historici hebben wij niets, want de meeste van hun verslagen zijn nog niet verheven boven de bittere verdeeldheid van die tijd.

Radicaal gezinde critici roepen een beeld op van bloeddorstige Amerikaanse politieke leiders die een oorlog voeren om hun verwrongen geest te bevredigen.Rechts negeert de oorlog als een ontsporing van de progressieven, of wijt de nederlaag aan het gebrek aan ideologische bevlogenheid – de mantra van de `neoconservatieve' bekeerlingen, die in werkelijkheid, toen de oorlog nog gaande was, tegen de oorlog waren en die zo hun eigen motieven hebben om de herinnering eraan te verdringen. De Amerikanen, die de meest traumatische ervaring van de afgelopen vijftig jaar niet graag onder ogen zien, hebben moeite om werkelijk lering te trekken uit wat dit land in die treurige periode is aangedaan, en wat wij onszelf hebben aangedaan.

Een van de voornaamste slachtoffers van de Vietnamese tragedie was namelijk de traditionele opvatting dat Amerika uniek is. Het eens welhaast universele vertrouwen in de uitzonderlijkheid van onze waarden – en in hun relevantie voor heel de wereld – heeft plaatsgemaakt voor felle verdeeldheid over de vraag wat die waarden eigenlijk waard waren, en of ze wel tot iedere prijs moesten worden uitgedragen en verdedigd. Die verdeeldheid heeft een blijvende, diepgaande uitwerking gehad op het Amerikaanse buitenlandse beleid dat sedertdien is gevoerd.

De generatie die in de hoogtijdagen van het Amerikaanse uitzonderingsdenken Indochina binnenging, was de zogenoemde greatest generation. Zij deed dit conform de strategie die de wereld van na de Tweede Wereldoorlog stabiliteit had gebracht, Europa had herbouwd, Duitsland en Japan hun plaats in de gemeenschap van volkeren had teruggegeven en de opmars van de Sovjet-Unie in Europa en Korea tot staan had gebracht. Deze strategie, een combinatie van de ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog en aan de New Deal ontleende denkbeelden, was vooral bedoeld om de agressie van de Sovjet-Unie een halt toe te roepen en de communisten kansen op onruststoken te ontnemen door in de gebieden onder Amerikaanse bescherming de economische en sociale vooruitgang te bevorderen.

Hoewel vaak wordt gesuggereerd dat het optreden van Amerika tijdens de Koude Oorlog op vrijwel unanieme consensus berustte, hielden ook in die periode heel wat mensen, vooral in de intellectuele en de academische gemeenschap, er afwijkende opvattingen op na. Zij vonden ofwel dat het communistische gevaar werd overdreven, ofwel dat de Verenigde Staten zich met te veel dubieuze regimes inlieten om hun reputatie als voorvechter van de vrijheid te kunnen waarmaken. Maar hun kritiek betrof vooral afzonderlijke beleidskeuzes en niet de geldigheid van de waarden die daaraan ten grondslag lagen.

Toen Kennedy aan de macht kwam, werd dit beleid in de inaugurele rede van de nieuwe president ongekend ruim geformuleerd in zijn belofte dat de Verenigde Staten ,,iedere prijs zouden betalen, iedere last op zich zouden nemen, alle ontberingen het hoofd zouden bieden, iedere vriend zouden bijstaan, iedere vijand zouden bestrijden om het voortbestaan en het welslagen van de vrijheid te verzekeren''. Op dat moment tekende vrijwel niemand bezwaar aan tegen dit grenzeloze engagement, of tegen de algemeen aanvaarde gedachte dat Indochina een voorpost van essentieel belang was voor de verdediging van de vrijheid.

Terwijl Kennedy zich gereedmaakte om zijn ambt te aanvaarden, gaf president Eisenhower de raad om militaire steun te verlenen aan Laos als Noord-Vietnam zich in de zaken van dat land bleef mengen. Binnen twee maanden na zijn inauguratie stuurde Kennedy mariniers naar Thailand, dat grenst aan Laos. Hij schrok terug voor een rechtstreekse interventie (hoewel de CIA wel ondergrondse activiteiten ontplooide). Maar al in december 1961, toen Hanoi via Laotiaans grondgebied een bevoorradingsroute naar Zuid-Vietnam opzette en de guerrillaoorlog opvoerde, stuurde Kennedy Amerikaanse militaire `adviseurs' naar Zuid-Vietnam; eind 1963 waren dat er al 16.000. President Johnson voerde deze bemoeienis steeds verder op, totdat aan het eind van zijn ambtsperiode een half miljoen manschappen in Vietnam actief waren. Ook toen klonken er geen bezwaren van betekenis, binnen de regering zo min als erbuiten, tegen deze grootscheepse inzet van troepen. Hoewel Johnson later de schuld kreeg, vond de escalatie in feite plaats op aandringen van Kennedy's naaste adviseurs: McGeorge Bundy, Robert McNamara en Dean Rusk.

Al voor het einde van Johnsons ambtsperiode sloeg de moedeloosheid toe. De strategie om de tegenstander door uitputting te slopen, die in alle vroegere Amerikaanse oorlogen had gewerkt, had geen kans van slagen tegen guerrillastrijders die geen bepaald territorium verdedigden en die dus konden kiezen waar en wanneer ze de strijd aangingen. Omdat bovendien de niet-communistische landen van Indochina niet aan de democratische normen van onze Europese bondgenoten voldeden, rees twijfel aan de morele waarde van de oorlog. Bij de mensen die indertijd het besluit hadden genomen om Amerikaanse soldaten te sturen, werd de door de moord op Kennedy teweeggebrachte vertwijfeling verhevigd door groeiende onzekerheid over hun handelen.

Terwijl de Amerikaanse leiders in verwarring raakten, namen hun critici de Amerikaanse buitenlandse activiteiten als zodanig op de korrel. Het argument dat de oorlog niet te winnen viel en dat de kosten ervan de baten te boven gingen, escaleerde net zo snel als de Amerikaanse aanvoer van troepen. Aanvankelijk zochten de twijfelaars vooral naar mogelijkheden voor een eervolle aftocht.

Maar al na enkele maanden begon men de uniciteit van de Verenigde Staten op zich in twijfel te trekken. De critici betoogden steeds vaker dat de crisis uiteindelijk niet te wijten was aan beoordelingsfouten, maar aan moreel bederf in de kern van het Amerikaanse leven. De overwinning van de communisten in Indochina, waartegen regeringen van beide partijen twintig jaar lang hadden gevochten, werd in de ogen van de radicale protestbeweging een welkome nationale catharsis. Twijfel aan de waardigheid van Amerika's bondgenoten maakte plaats voor twijfel aan de waardigheid van Amerika zelf, en van zijn optreden niet alleen in Vietnam maar in de hele wereld. Vietnam werd de eerste oorlog waarin Amerikaanse prominenten onder grote aandacht van de media op bezoek gingen in de vijandelijke hoofdstad om verzet aan te tekenen tegen hun eigen land.

Toen Richard Nixon president werd, lagen de posities al vast. Het gedemoraliseerde establishment, dat ons het moeras in had gestuurd, bedankte voor de taak om ons er weer uit te halen. Het liet de eer aan de protestbeweging of sloot zich aan bij de aanvallen van die beweging op de vermeende kortzichtigheid en perversiteit van de regering-Nixon. De radicale protestbeweging was zo overtuigd van haar morele superioriteit dat zij geen reden zag om bij het nastreven van haar doelen fijnzinnig te werk te gaan. Door middel van demonstraties en doelgerichte ondermijning van alle autoriteiten, van universiteit tot nationale regering, trachtte zij ieder beleid te saboteren dat bedoeld was om de waarden te schragen waarop het beleid van de Verenigde Staten sedert de Tweede Wereldoorlog had berust.

Nixon, die met deze patstelling werd opgezadeld, beschikte niet over de kwaliteiten die vereist waren om haar te overwinnen – als dat al mogelijk was. En hij mocht dan tegen het establishment uitvaren zoveel hij wilde, ook hij was een product van de greatest generation. Hij probeerde tegemoet te komen aan wat hij zag als de roep van gematigde critici om een eervolle aftocht.

Te beginnen met de eerste onderhandelingen met het Vietnamese politbureaulid Le Duc Tho stelde Nixon een tijdschema voor de terugtrekking van de Amerikanen voor, en een scala van formules om de bevolking van Zuid-Vietnam een echte keuze te bieden. Wat Nixon weigerde te aanvaarden – en wat Hanoi tot het einde toe is blijven eisen – was de gedwongen onderwerping aan een communistisch regime van de miljoenen die vertrouwend op het woord van onze voorgangers de kant van de Verenigde Staten hadden gekozen.

Toen via onderhandelingen geen oplossing mogelijk bleek, ging Nixon er eenzijdig toe over om zijn verkiezingsbelofte om Amerika uit Vietnam te bevrijden, te realiseren. Hij bracht het aantal Amerikaanse slachtoffers terug van 1.200 per maand aan het einde van Johnsons bewind tot 30 per maand aan het einde van zijn eigen eerste ambtstermijn. Ook bracht hij unilateraal het aantal Amerikaanse militairen terug van 550.000 naar 30.000.

Vele fasen in dit proces waren zeer omstreden; zij verdienen een grondiger behandeling dan in dit artikel mogelijk is. Maar het is tekenend voor het door Vietnam veroorzaakte schisma, dat een zo groot deel van de literatuur gewijd is aan de beschuldiging dat Nixon onnodig de oorlog heeft verlengd en Amerikaanse levens heeft opgeofferd – met de suggestie dat er een of andere fatsoenlijke uitweg bestond die hij weigerde te nemen.

De politieke tweedeling werd verscherpt door een soortgelijke tweedeling in de intellectuele gemeenschap. In de tijd dat ik studeerde kwamen intellectuelen zelden op hoge regeringsposten terecht. Als zij invloed wilden uitoefenen op het beleid, moesten zij uitvoerige beschouwingen schrijven over langetermijnkwesties. Onder Kennedy kregen zij de smaak van de politieke macht te pakken en probeerden zij het debat over het beleid rechtstreeks te beïnvloeden, eerst van binnen de regering en na de moord op Kennedy vanaf de zijlijn.

Daarbij vielen zij uiteen in twee groepen: de baantjesjagers en de revolutionairen. De baantjesjagers kauwden de debatten van de beleidsmakers na, de revolutionairen de argumenten van de protestbeweging. Beide groepen onderstreepten de verdeeldheid van Amerika eerder dan dat ze haar hielpen slechten.

Vietnam heeft een einde gemaakt aan de combinatie van ideologie en strategie die de grondslag vormde van het Amerikaanse uitzonderingsdenken. Alhoewel de beginselen van dat denken nog altijd door alle partijen worden onderschreven, vormt de toepassing ervan thans het onderwerp van een diepgaand debat. Sedert de oorlog in Vietnam vallen onder de makers van het Amerikaanse buitenlandse beleid drie scholen te onderscheiden: zij die ervoor pleiten de strategie van de Koude Oorlog uit de jaren vijftig en zestig aan de nieuwe omstandigheden aan te passen; leden van de protestbeweging tegen Vietnam die hoge posten bezetten in de regering-Clinton; een nieuwe generatie die geen weet heeft van het Vietnam-schisma en die nu geconfronteerd wordt met een volstrekt andere wereld dan die waardoor zowel de Koude-Oorlogsdenkers als de Vietnam-demonstranten zijn gevormd.

Geschokt door de ervaring met Vietnam hebben vele progressieven en intellectuelen zich teruggetrokken uit het strijdperk van de strategie. Zij hebben de Amerikaanse uitzonderingspositie geherdefinieerd op basis van `zachte issues', die zonder militair geweld kunnen worden gerealiseerd. Als gevolg hiervan is het domein van de traditionele Amerikaanse strategie grotendeels toegevallen aan de conservatieven en neoconservatieven. Rechts Amerika, dat zich nooit helemaal op zijn gemak had gevoeld met verplichtingen op verre slagvelden, concentreerde zich op rigoureus anticommunisme en op het zorgvuldig bewaken van het strategisch evenwicht, vooral met betrekking tot de onderhandelingen over wapenbeheersing. Onder Reagan heeft deze groep geweldige successen geboekt tegen de door decennia van al te grote expansie verzwakte Sovjet-vijand.

Maar nu de Sovjet-Unie is uiteengevallen, weten vele conservatieven zich geen raad met de behoefte aan een nationale strategie die is afgestemd op de wereld van na de Koude Oorlog. Na Reagan zijn enkele van zijn discipelen zijn retoriek blijven uitdragen, zonder echter de koppige strategie aan te houden waarmee hij de jaren-tachtigvariant van de containment-politiek bedreef. Van hen lijkt vooral de neoconservatieve groep te worden verscheurd tussen het zoeken naar een nieuw gevaar ter vervanging van de Sovjet-Unie – waartegen het hele buitenlandse beleid kan worden gemobiliseerd – enerzijds, en de nieuwe definitie van de Amerikaanse uitzonderingspositie als een mondiale kruistocht voor de democratie anderzijds. Een groot deel van deze activiteiten wordt gericht op China. Maar dat is vooralsnog te zwak, heeft een te zeer naar binnen gerichte idelogie en is als gevaar te ver weg om het buitenlandse beleid ernaar te kunnen modelleren.

De conclusies die velen in de regering-Clinton – en in progressieve kring – uit de oorlog in Vietnam hebben getrokken, tarten het traditionele buitenlandse beleid van de Verenigde Staten. Zij schilderen de Koude Oorlog af als een misverstand of zelfs als een verzinsel van de Amerikanen. Zij gruwen van de gedachte aan een nationaal belang en wantrouwen het gebruik van macht, tenzij dit kan worden voorgesteld als dienstig aan een of andere `altruïstische' zaak – een zaak die geen specifiek nationaal Amerikaans belang vertegenwoordigt. Bij vele gelegenheden en op verscheidene continenten heeft president Clinton zijn verontschuldigingen aangeboden voor daden van zijn voorgangers die waren voortgekomen uit wat hij minachtend Koude-Oorlogsdenken noemt. Maar de Koude Oorlog wás geen verzinsel; het ging toen om fundamentele kwesties, die van belang waren voor het voortbestaan en de identiteit van de natie. Dit neerbuigende en over het geheel genomen zeer onzorgvuldige oordeel over de daden van Amerikaanse presidenten van Eisenhower tot Bush, moet wel twijfel zaaien over de koersvastheid van de Amerikanen, zelfs bij de regering die de verontschuldigingen aanbiedt.

Verontschuldigingen voor een halve eeuw Amerikaanse geschiedenis gaan gepaard met onbehagen over het gebruik van de macht door de Verenigde Staten. Zo noemden in het geval van Kosovo alle politieke leiders de gedachte dat het optreden van de NAVO de traditionele nationale belangen verhief tot universele humanitaire beginselen, een kenmerkend aspect van de operatie. Maar een half jaar later deinsden diezelfde leiders – bevreesd voor de macht van Rusland – ervoor terug om diezelfde principes op Tsjetsjenië toe te passen, waar onder de burgerbevolking veel meer slachtoffers vielen. Het buitenlandse beleid van de zelfbenoemde moralisten was – niet geheel zonder hypocrisie – met een reuzenzwaai teruggekeerd tot de bekende stelregel dat buitenlands beleid de kunst is van het mogelijke en de wetenschap van het betrekkelijke.

Of neem de verschillende posities die Clintons regering innam jegens Irak en Kosovo. In december 1998 bracht Irak ons een strategische nederlaag toe door de inspecteurs van de Verenigde Naties, wier aanwezigheid een voorwaarde was voor de beëindiging van de Golfoorlog, uit te wijzen. De regering beantwoordde dit met een bombardement van vier nachten. Maar vier maanden later bombardeerde ze Joegoslavië 78 dagen achter elkaar ten behoeve van wat werd gepresenteerd als een humanitair belang. In beide gevallen werden de operaties verricht met een vrees dat aan eigen kant slachtoffers zouden vallen, die uiteindelijk bij het Amerikaanse publiek – en bij onze tegenstanders – de suggestie wekte dat ons vitale belang niet op het spel stond. Paradoxaal genoeg is het wel zo dat als gevolg van de vrees voor onrust in eigen land enerzijds en van de tweeslachtige houding met betrekking tot doorslaggevend gebruik van de Amerikaanse macht anderzijds, crises uiteindelijk niet alleen vaker plaatsvinden maar ook nog eens moeilijker op te lossen zijn. Misschien is dat de reden waarom de regering-Clinton in meer onvoltooide militaire operaties betrokken is geraakt dan alle vroegere regeringen.

Vietnam heeft een generatie nagelaten die in twee kampen is verdeeld: het ene zoekt naar risicoloze toepassingen van onze beginselen, het andere doolt rond op zoek naar een nationaal strategisch doel. Het is niet zo dat deze generatie in beslag wordt genomen door het debat over de oorlog in Indochina, waarvan ze amper op de hoogte is. Evenmin voelt ze zich schuldig over een doctrine van eigenbelang, die ze bij haar economische activiteiten immers hoog in het vaandel heeft. Maar ze is slecht op de hoogte van de geschiedenis en van het nationale beleid en staat daarom gedesoriënteerd in de internationale politieke arena. Zij wordt bekoord door de clintoniaanse gedachte dat het mogelijk is om zonder risico's het de hele wereld naar de zin te maken, en door de overtuiging dat hardnekkig streven naar economisch eigenbelang uiteindelijk zal leiden tot wereldwijde verzoening.

Die houding is mogelijk geworden doordat de wereld thans verregaand is gevrijwaard van het gevaar van een algehele oorlog. In zo'n wereld is de generatie Amerikaanse politieke leiders van na de Koude Oorlog op het idee kunnen komen dat buitenlands beleid enkel en alleen neerkomt op het bijscholen van de rest van de wereld. Zo wordt onze diplomatie gereduceerd tot de eis dat men zich dient te schikken naar de Amerikaanse agenda.

De economie zal de plaats van een nationale strategie niet kunnen innemen. De gemondialiseerde wereld zal slechts gestalte krijgen door verstoringen en spanningen, zowel binnen als tussen samenlevingen. De nationale staat, nog altijd de politieke eenheid die verantwoordelijk is voor het oplossen van deze crises, bevindt zich zelf in een overgangsfase. In vele delen van de wereld verdwijnt hij, hetzij door uiteen te vallen in wat tot dusverre etnische eenheden waren, hetzij door op te gaan in grotere regionale verbanden. De proliferatie van massavernietigingswapens stelt ons voor een groot politiek probleem waarmee nog nooit een samenleving is geconfronteerd.

Als onze nieuwe generatie nationale politieke leiders aarzelt om bij het aanpakken van deze problemen een visie op het nationaal belang te ontwikkelen, of om zonodig zonder gêne haar toevlucht te nemen tot machtsmiddelen, zal zij geen zedelijke verheffing tot stand brengen, maar toenemende verlamming. Uiteraard zal iedere visie op het nationaal belang, wil zij Amerikaans mogen heten, gefundeerd moeten zijn op onze democratische traditie en op het belang dat wij hechten aan collectieve veiligheid. Maar wij moeten ook bereid zijn om enkele pittige vragen die de werkelijkheid ons voorschotelt, onder ogen te zien.

Wat moeten wij ter wille van ons voortbestaan trachten te voorkomen, hoe pijnlijk ook de vereiste middelen zijn? Wat moeten wij, willen wij onszelf niet verloochenen, trachten tot stand te brengen, al is de haalbare consensus nog zo klein, of desnoods op eigen houtje? Welke misstanden moeten wij hoe dan ook rechtzetten? Welke gaan onze krachten te boven of zijn strijdig met ons nationaal belang? Wij zullen de schaduw van Vietnam pas achter ons hebben gelaten – of in staat zijn de nieuwe problemen aan te pakken – wanneer wij over deze zaken een nationale consensus kunnen realiseren. Dat vereist wederzijds respect tussen de deelnemers aan het debat, en het besef – dat in de tijd van Vietnam bijna verloren was gegaan – dat wij samen ergens aan bouwen en niet als rivalen op een finish afstormen. In de strijd om het presidentschap die binnenkort begint, zullen onze politieke leiders deze vraagstukken nog kunnen omzeilen, maar de winnaar zal er, zodra hij het Oval Office betreedt, niet meer omheen kunnen.

Dr. Henry Kissinger is oud-minister van Buitenlandse Zaken van Amerika. © Los Angeles Times Syndicate