Aubade

Bijna de helft van Nederland viert vandaag Koninginnedag. Volgens een marktonderzoek doet 42 procent er niet aan mee en 13 procent wilde het niet zeggen. Om onnaspeurbare redenen is het onderzoek uitgevoerd in opdracht van de Staatsloterij. Wordt iemand die zich in het bezit heeft gesteld van een Koninginnedaglot – kans op tien miljoen gulden – tot de vierders gerekend? Dan hoor ik daar ook bij, al heb ik gisteravond het land verlaten, mede om het gehos in de Jordaan te ontlopen.

Grofweg komt de uitkomst van het onderzoek naar de deelname aan de feestelijkheden overeen met de gepeilde opinies over de monarchie, maar dat kan louter toeval zijn. Er is nu een nieuw onderzoek nodig naar de correlatie tussen feestvieren en staatsrechtelijke opvattingen. Ik voorspel dat een verband niet of nauwelijks aantoonbaar is. Hoogstens bij Oranjeverenigingen en kinderen. Kinderen houden van de koningin, zij bewijst dat de sprookjeswereld bestaat.

Als kind heb ik jaarlijks op Koninginnedag met alle plaatselijke scholen een aubade gebracht aan de burgemeester van Leidschendam. Wij zongen dan behalve het Wilhelmus ook het Zuid-Hollands volkslied. Wat zou ik het prachtig hebben gevonden als de koningin in Eigen Persoon op het bordes van het raadhuis had gestaan om onze zanghulde in ontvangst te nemen.

Uit het programma voor het bezoek dat de vorstin vandaag aan Katwijk en Leiden brengt, blijkt dat er weer heel wat zal worden afgezongen. Het is om alsnog jaloers op te worden. Al direct na het welkomstwoord van de burgemeester van Katwijk zingen de kinderen van de basisscholen onder meer het eerste couplet van het Wilhelmus onder leiding van de muziekverenigingen Door Vriendschap Sterk (DVS) en Uitspanning Na Inspanning (UNI). Speciaal voor de gelegenheid is in Katwijk een Oranjekoor samengesteld uit 1.165 koorleden afkomstig van vijftien verschillende dorpskoren. In Leiden klinkt later op de dag het gezang van het Eurokoor – slap modernisme, ik prefereer het Oranjekoor. Leiden stelt me wel weer gerust met de mededeling dat ,,nabij de academie 600 schoolkinderen alles uit hun longen zullen halen om een lied ten gehore te brengen voor het koninklijk gezelschap.''

Allemaal mooi, maar nu is mijn vraag: waar is toch dat Zuid-Hollands volkslied gebleven? `Zuid-Holland, in je steden/ Daar bloeide weleer/ de kunst van Crabeth, van Jan Steen en Vermeer/ Daar werden geboren een Rembrandt van Rijn/ En dappere mannen als Tromp en Piet Hein./ In 't Prinsenhof leidde Oranje de strijd/ Die eindigde met d'onafháááánkelijkheid!' Refrein: `Zuid-Holland, Zuid-Holland/ Mijn heerlijk land, mijn roemrijk land/ Zuid-Holland, Zuid-Holland heb ik mijn hart verpand.'

Er werd nooit bij verteld wie Crabeth was. Om dat te weten moest je uit Gouda komen, waar deze telg uit een Frans geslacht van glaskunstenaars in de zestiende eeuw de glorieuze ramen van de St-Janskerk heeft gemaakt. Overigens lijkt het ronkende lied me zo'n typisch chauvinistisch geval van een negentiende-eeuwse rijmelaar, een gelegenheidsvers: Zuid-Holland is pas in 1840 een provincie geworden, dus dat roemrijke verleden is onzin. Het past in de categorie `Wien Neerlands bloed door d'aderen vloeit, van vreemde smetten vrij'. Dit was tussen 1815 en 1932 het officiële Nederlandse volkslied, op bestelling (via een prijsvraag) bij elkaar gerijmd door Hendrik Tollens. Nog een mazzel dat Tollens' hymne indertijd van het nationale repertoire is afgevoerd, anders moesten we het wegens die `vreemde smetten' en dat `bloed' alsnog afschaffen.

Het valt trouwens, over het volkslied gesproken, op dat in het programma dat zangkoren vandaag voor de koningin ten gehore brengen alleen het eerste couplet van het Wilhelmus is opgenomen. Moeten we hieruit afleiden dat de traditie volgens welke het eerste en het zesde couplet worden gezongen definitief het loodje heeft gelegd? Ik zou dat jammer vinden. Het Wilhelmus is misschien wel het mooiste volkslied ter wereld: zonder nationalistisch gebral, in de eerste persoon, getuigend van ootmoedigheid en van onbuigzaamheid jegens tirannie. Het zesde couplet met de onvergankelijke slotregel: `... Die Tyranny verdrijven,/ Die my mijn hert doorwondt' moet nodig uit het vergeetboek worden gehaald.

Of een republiek meer of minder tiranniek is dan een monarchie kan in het midden blijven. Oranje leidde in het Prinsenhof in Delft de strijd die leidde tot een republiek – dat vermeldt het Zuid-Hollands volkslied niet – en in het Wilhelmus eert hij de koning van Spanje, wat voor een gereformeerd Katwijks kind niet minder absurd klinkt dan voor een immigrant uit Afghanistan. De historie is betrekkelijk.

Ik kan me dan ook niet druk maken over de discussie die na De Graaf en Kok nu ook prins Willem-Alexander wil voeren over modernisering van de monarchie.

Des te meer heb ik me deze week opgewonden over het argument dat de staatsrechtgeleerde G.C.J.J. van den Bergh deze week in de Volkskrant aanvoerde voor behoud van de monarchie. Alleen dankzij de speciale band tussen het Huis van Oranje en de krijgsmacht komt bij de officieren van de Nederlandse strijdkrachten de gedachte aan een militaire staatsgreep niet op, betoogt hij. De kolonels in het Nederlandse leger zijn niet loyaal aan de parlementaire democratie en de rechtsstaat, maar uitsluitend aan Oranje. Juist linkse mensen (Melkert, Rosenmöller, Marijnissen) zouden `uit welbegrepen eigenbelang' tegen de republiek moeten zijn. `Zij zijn immers te allen tijde de eersten die slachtoffer worden van een kolonelsregime.'

Dit is of een dreigement of een slechte grap, maar in elk geval een belediging van de Nederlandse militairen die van een fundamenteel ondemocratische gezindheid worden beticht. Tenzij het waar is. Maar als dit het finale argument voor de monarchie moet voorstellen, dan bestaat er een situatie die bij wijze van spreken geen dag langer mag worden geduld. Van den Berghs betoog laat een urgente reden zien om de monarchie subiet af te schaffen.

Maar laten we dit afspreken: het Wilhelmus blijft ook dan het Nederlandse volkslied.