Voorbij en van mij

In Washington wordt overmorgen, 30 april, herdacht dat het 25 jaar geleden is dat de laatste Amerikaanse troepen Vietnam verlieten. Zeventiende aflevering in een serie over de cultuur in Amerika.

Dat een litteken zo mooi kan zijn, en zo dierbaar. Het is een herinnering aan pijn en verdriet, maar het zegt ook: het is voorbij en het is een deel van mij. Wie zijn vingers erover laat glijden, wie zijn blik erop laat rusten, erkent dat de oude wond voortaan bij hem hoort.

Jaarlijks doen miljoenen Amerikanen dat als ze de Vietnam Veterans Memorial in Washington bezoeken, beter bekend als The Wall. Het is Amerika's nationale litteken, een herinnering aan de oorlog die het land zo bitter verdeelde, die 58.000 Amerikanen en twee miljoen Vietnamezen het leven kostte. Maar in heel Washington, met al zijn prachtige musea en trotse monumenten, is er geen bezienswaardigheid die meer bezoekers trekt.

Het stortregent en het is een koude voorjaarsdag op de Mall. De reusachtige obelisk die George Washington herdenkt reikt tot hoog in de grijze hemel. Abraham Lincoln, in metershoog wit marmer, zit even verderop in zijn statige tempel. Vergeleken bij die machtige bouwsels, symbolen van Amerika's idealen, zie je het Vietnam-monument makkelijk over het hoofd. Op een afstandje lijkt het niet meer dan een zwarte streep in het natte gras. Een gedachtenstreepje in een cultuur van uitroeptekens.

Wie dichterbij komt ondergaat de kracht van het simpele ontwerp: een muur van glimmend zwart graniet, ruim 150 meter lang, die eerst maar net boven de grond uitkomt, dan geleidelijk oploopt tot een hoogte van zo'n drie meter, een knik maakt, en vervolgens weer schuin naar beneden afloopt, de aarde in. De aarde zelf loopt omlaag waar de muur hoger wordt, en stijgt weer waar de muur lager wordt. In het gepolijste graniet staan de namen gegraveerd van alle Amerikaanse militairen die in Vietnam zijn gesneuveld, een zee van namen, chronologisch gerangschikt naar de datum waarop ze zijn omgekomen. Bijna altijd staan er wel mensen te zoeken naar een bekende. Als de zon schijnt zie je je eigen spiegelbeeld tussen al die gesneuvelde soldaten. Als het regent moet je eerst de druppels van de zwarte spiegel vegen. De letters in het graniet voelen vreemd kwetsbaar aan. Het is niet gek dat dit sobere gedenkteken aanvankelijk veel weerstand opriep. Het is beledigend en vernederend, zeiden verontwaardigde veteranen, om militairen die gestorven zijn in dienst van het vaderland te gedenken met een donkere muur in een kuil. Alsof de schande zo groot is dat de herinnering aan hen verstopt moet worden in ,,een zwarte kloof van schaamte en verdriet''. Ze hadden gehoopt op iets als het beroemde beeld (naar de even beroemde foto) van de mariniers die de Amerikaanse vlag planten op Iwo Jima. Herkenbaar, heldhaftig en aangrijpend.

Maar ze kregen een abstract kunstwerk - geen realistisch uitgebeelde soldaten, geen nationalistische symbolen en zelfs geen boodschap. Het monument velt geen oordeel over de oorlog die volgens een deel van Amerika een nobele zaak was, en volgens een ander deel een immoreel drama. ,,Het monument vertelt niet wat je denken moet'', zei ontwerpster Maya Lin eens. ,,Het gedenkt de mensen die zijn omgekomen, niet hun politiek.'' Maya Lin heeft altijd een rotsvast vertrouwen gehad in haar ontwerp. Ook al was ze pas twintig jaar oud en student toen ze het maakte, ze liet zich niet intimideren door het giftige debat dat er in 1981 over losbrandde. Haar plan was gekozen uit 1.400 inzendingen en ze was niet van plan om het met artistieke compromissen acceptabeler te maken voor de politici, columnisten en veteranen die er zoveel bezwaren tegen hadden. Het zou niet opbeurend zijn, te somber, te kaal, te nihilistisch. Een klaagmuur voor links Amerika. Het zou beter wit kunnen zijn dan zwart. Het moest opgetuigd worden met een grote Amerikaanse vlag in het midden. Er moesten beelden van soldaten bij. Lin hield voet bij stuk en ze had de steun van de meeste veteranen - die het initiatief voor het monument hadden genomen en het geld bijeen hadden gebracht. Maar de ruzie liep zo hoog op dat de minister van Binnenlandse Zaken dreigde om het hele plan te verbieden als er geen compromis werd bereikt. En daarom staan er nu, tegen de zin van Lin, op een paar meter van de muur een grote vlag en drie meer dan manshoge, bronzen soldaten die eruit zien alsof ze er net een patrouille in de Vietnamese jungle op hebben zitten.

Sinds 1993 staat er ook een beeld van een groepje vrouwelijke militairen bij, om de vrouwen te eren die in Vietnam hebben gediend. En het Congres werkt hard aan een wetsvoorstel om het monument nog verder uit te breiden met een plaquette waarop de veteranen herdacht worden die gestorven zijn aan ziektes die ze door de oorlog hebben opgelopen. Daarnaast wordt er nog voor allerlei andere toevoegingen gelobbied. Een gedenkteken voor de omgekomen Vietnamezen. Voor CIA-agenten. Zeelieden van de koopvaardij. Hispanic veteranen. Voor studenten die zijn omgekomen bij protesten tegen de oorlog. En zelfs voor militaire honden. Straks staat de stille muur van Maya Lin midden in een bonte beeldentuin. Maar zover is het nog niet. Amerika koestert de muur, dagelijks schuifelen er duizenden bezoekers langs. Ze laten er bloemen achter, briefjes en sigaretten voor de gesneuvelden. Als de regen even ophoudt, zoekt een bejaard echtpaar een goed plekje om zich voor de muur te laten fotograferen. Twee kinderen stampen in een plas. Een vrouw legt een stuk papier op het graniet en krast met potlood een naam over, met korte, krachtige halen. Het lijkt of ze de naam van de muur wil wissen.