Vader is didadood

Waar was ik toen de Vader aller Nederlanders stierf? Ik weet het nog precies. Ik zat op een terrasje in de zon en las de Volkskrant. Vader is dood, stond er. Moeder was al eerder dood, stond er ook. Duif is ook dood. De Grote Drie is niet meer. De Grote Eén is ook niet meer. Met de dood van Toon heeft Mien de feestneus voorgoed in de la opgeborgen. In de lalalalala. Ik snikte. Een ballonnetje danste in de wind en steeg op. De geest van de Vader aller Nederlanders ging ten hemel. Dit moment zou ik voor altijd onthouden. De dood van Kennedy, mensen op de maan, de dood van Toon, van titafalderietoon.

Toon was natuurlijk een geweldige dichter. Vond hij zelf van niet, want hij was altijd bescheiden. Hij had nooit pretenties. Een echte Nederlander. Hij sprak ook niet van gedichten, maar van versjes. Vivaversjes. De Vader aller Nederlanders dichtte: `Holland/ nevel land/ waterig overdrevenland/ Bintjes land/ lintjes land/ weifelend anti-kindjes land.' Wist ik niet. Zijn wij een anti-kindjes land? Intrigerende regels, maar het gaat verder: `Bollenland/ knollenland/ stoep met hondedrollenland/ Leuterland/ kneuterland/ krenterig piete peuterland.' Dat is nou mimamooi, beter dan Lucebert en Kikakouwenaar samen.

Klassiek geworden is zijn gedicht Vriend, dat boven vele overlijdensadvertenties terug te vinden is. Het rijmschema van dit vers is eenvoudig - a, b, c, b, d, e, f, e - maar zoals altijd is eenvoud bediebedabedriegelijk. Het gedicht gaat zo: `Je hebt iemand nodig,/ stil en oprecht,/ die als het erop aan komt/ voor je bidt of voor je vecht./ Pas als je iemand hebt,/ die met je lacht en met je grient,/ dan pas kun je zeggen: 'k heb een vriend.' Dat is frifroufraai, hupsakee.

De Vader aller Nederlanders was ook een schilder, dat vergeten wij wel eens. In de tijd dat abstract in de mode was, schilderde Toon gewoon door op zijn eigen figuratieve wijze. Clowns, treurige gezichten, lilalandschapjes, een zelfportret dat danst in de zon. De tijdgeest ging geheel aan hem voorbij. De Videvadevietnam-oorlog ging geheel aan de Vader aller Nederlanders voorbij. Maar over vrede kon hij erg gevoelig schrijven: `Vrede is een kind dat glimlacht als je ernaar kijkt, een weiland waar jonge veulens grazen.' Dat is lang niet alles, want even verder staat geschreven: `Vrede is geen groene tafel maar een stille kracht, geen systeem,\ geen plan dat wordt berekend of bedacht.'

Uit deze laatste regels blijkt dat Toon boven alles wat hij eigenlijk ook al was nog het meest geleek op een filosoof. Zeker, hij was dichter, toonkunstenaar, tita-Tóón-kunstenaar en kikacomponist, maar boven al deze gaven torende zijn alom aanwezige wijsheid uit. Toon was een filosoof. `Ik sla 'n kruisje voor 't eten en zeg: Lieve Heer, 'k maak 't niet te lang, want anders wordt de soep koud', schreef hij eens. Een levensgenieter, dat was hij namelijk ook. En hij wist dat de Heer het hem niet kwalijk zou nemen als hij zijn kruisje snel zou slaan. De Heer houdt zelf ook niet van kouwe soep. De Heer houdt ook niet van kikakouwe kak. De kak moet warm en dampend zijn. Toons verhouding met de Heer was theologisch gezien vooral van praktische aard. Zo schreef hij eens dit vers: `Jan was een glazenwasser./ Zei altijd: Graag gedaan./ Hij viel van zijn geloof/ maar op z'n ladder bleef hij staan.'

Mimameesterlijk. Natuurlijk had Toon het nooit zo ver gebracht als hij niet ook een taalvirtuoos was geweest, die met woordbetekenissen kon spelen dat het een lieve lust was. Zo schreef hij eens: `De verkeersagent liet alles en iedereen stoppen,/ zelfs zijn wollen sokken.' En deze schreef hij ook nog: `De zeelieden/ zingen liedjes,/ de lelietjes zingen/ lelietjes.' Je kon Toon met recht een didaduizendpoot noemen. Hij kon eigenlijk alles: schrijven, dichten, componeren, zingen, dansen, broodjes smeren. Springen, kwelen, filosoferen, denken, drukken, een bout solderen. Flippen, floppen, koekjes eten, slapen, slopen, door een slang gebeten.

Voor dat alles draaide het genie Toon zijn hand niet om. Op al deze gebieden was hij zonder concurrentie De Grote Eén. Conférences en onemanshows deed hij ook, meestal in grote theaters. Helaas was hij in die discipline niet zo goed. De monologen van de Vader aller Nederlanders waren vaak onverdraaglijk sentimenteel. Maar ja, je kunt nu eenmaal ook niet alles hebben.