Tweede regering Aznar mikt op consensus

Blakend van zelfvertrouwen en ongestoord door de oppositie heeft premier Aznar gisteren zijn nieuwe kabinet gepresenteerd.

Continuïteit, maar met een imago dat duidelijk meer is gericht is op het politieke midden. Het tweede kabinet onder leiding José María Aznar, dat gisteren werd gepresenteerd, voldoet geheel aan de verwachtingen die de premier deze week schiep tijdens de inhuldigingsdebatten in het Spaanse parlement. Een verjongde regeringsploeg met een duidelijk technocratische inslag en ondanks de absolute meerderheid die werd gehaald bij de verkiezingen in maart gericht op dialoog en consensus.

De klaterende verkiezingsoverwinning gaf de Partido Popular, en niet in de laatste plaats lijsttrekker Aznar, de afgelopen weken nieuw zelfvertrouwen. De eerste parlementsdebatten eerder deze week toonden een premier die zeker van zijn zaak was en betrekkelijk ongestoord door de oppositie het programma voor de komende regeerperiode bekend maakte: volledige werkgelegenheid, het terugbrengen van het begrotingstekort naar nul, verdere economische groei en een nieuwe impuls aan de technologische ontwikkelingen. Een programma waarmee Aznar de steun kreeg van de Catalaanse en Canarische nationalisten.

Met spanning werd uitgekeken naar de bezetting van de ministerposten, een kwestie die altijd met raadselachtigheid is omgeven. De kandidaten worden genoteerd in een inmiddels roemrucht ,,blauw aantekenboekje'' dat de premier zelfs voor zijn naaste medewerkers gesloten houdt. Gisteren bleek Mariano Rajoy, voormalig minister van Cultuur en de man die verantwoordelijk was voor Aznar's verkiezingsstrategie, te zijn beloond met de post van vice-premier. De gematigd-conservatieve Rajoy stoot hiermee Francisco Álvarez Cascos van de troon, die in het vorige kabinet vooral de rol van rechtse houwdegen voor zijn rekening nam. Cascos mag de komende periode het ministerie van Verkeer en Openbare Werken gaan leiden.

De brekebeentjes uit het vorige kabinet ruimden het veld. De vrijwel onzichtbare minister van Justitie, Margarita Mariscal de Gante, en minister van Milieu Isabel Tocino, die zowel de milieubeweging als een deel van haar eigen ministerie tegen zich in het harnas joeg, keren niet terug. Minister van verkeer Rafael Arias-Salgado, verantwoordelijk voor de aanhoudende chaos op de Spaanse vliegvelden, evenmin.

Opmerkelijke zittenblijver is Josep Piqué. De voormalige ministerswoordvoerder en nu munister van Buitenlandese Zaken, werd de afgelopen maanden gehinderd door mogelijke juridische onderzoeken naar een aantal zakelijke beslommeringen waar hij in het verleden bij betrokken was. De post van Piqué wordt overgenomen door Pío Cabanillas, de directeur-generaal van de staatsomroep RTVE. Cabanillas is in de ogen van de socialistische oppositie een verrader, omdat hij heeft gewerkt bij uitgeversconcern Prisa, een van de economische bastions van links Spanje. Met zijn jeugdige uitstraling lijkt Cabanillas bij uitstek geschikt om het middenveld-imago van de regering Aznar verder te versterken.

Belangrijkste herbenoemingen zijn minister van Economische Zaken Rodrigo Rato en minister van Binnenlandse Zaken Jaime Mayor Oreja. Rato is de gedoodverfde opvolger van Aznar, indien deze zijn belofte waarmaakt om na deze regeerperiode op te stappen als premier. Jaime Mayor ontwikkelde zich de afgelopen regeerperiode tot een populairste ministers. Voor de Baskische nationalisten groeide hij evenwel uit tot volksvijand nummer één vanwege zijn onbuigzame houding tegenover de terreur van de Baskische afscheidingsbeweging ETA. Tijdens de parlementsdebatten de afgelopen dagen ging het er hard aan toe tussen Aznar en de woordvoerder van de Baskisch-nationalistische partij PNV, die de premier gebrek aan flexibiliteit verwijt in het Baskische conflict. Volgens Aznar heeft de toenadering van de PNV tot de ETA op geen enkele manier geleid tot een pacificatie van de terreurorganisatie. Grote vraag blijft of Aznar zijn minister van Binnenlandse Zaken zal durven inzetten als lijsttrekker bij mogelijke vervroegde verkiezingen in Baskenland later dit jaar, de ultieme nachtmerrie voor het Baskische nationalisme.