Stampvol

'Keuzen maken is een gesloten reeks van tentoonstellingen die gericht is op de jaren tussen 1920 en 1960, een periode van heftige sociale en politieke beweging en geïnspireerd artistiek debat.' Zo staat het in de brochure bij de tentoonstelling Making Choices in het Museum of Modern Art. Het is een mooi drukwerkje van 24 pagina's, met illustraties in kleur en korte toelichtingen op de elf onderdelen waaruit deze reeks bestaat. Bovendien hoef je voor dit boekje niets te betalen. Ik zag dan ook al kunstliefhebbers een graai in de bak doen, er een stuk of vijf uithalen en terugkomen om zich nog eens te bevoorraden. Wat zouden ze ermee gaan doen? Aan de neefjes en nichtjes geven. Handeltje opzetten.

Op schilderijententoonstellingen, zei de Franse graficus Gavarni, zie je drie soorten mensen: de mensen die naar de schilderijen kijken, de mensen die kijken naar de zakken van de mensen die naar de schilderijen kijken, en de mensen die kijken naar de handen van de mensen die kijken naar de zakken van de mensen die naar de schilderijen kijken. Dat vertelde Gavarni aan de gebroeders Goncourt. Die schreven het op in hun dagboek. Age Bijkaart citeerde dit in een column. Ik las en onthield. En zowaar! Opeens ontdekte ik dat ik anno 2000 in het MOMA stond te kijken naar toestanden die Gavarni anderhalve eeuw tevoren had ontdekt. Als dat geen kunst is.

Making Choices laat veel moois en interessants zien, maar het is vooral een tentoonstelling met ophef. Je weet niet hoe het komt; dat kan van alles zijn. De vorige ophef-tentoonstelling was in het Brooklyn Museum. Daar had de vondstenaar Damien Hirst een dode haai in een aquarium gedaan. Ook hing er Ofili's beroemde, met olifantenvijgen geboetseerde Madonna. De ophef was te danken aan burgemeester Rudy Giuliani die de loodrechte antipode van de kunstenaar is. Hij dreigde de subsidie in te trekken. De kunstminnaars stroomden toe. Maar een rel is nog geen garantie voor een ophef die duurt tot het einde van de gebeurtenis. Na een paar weken was het in Brooklyn gedaan met de ophef.

Maak nu een overzichtstentoonstelling van Van Gogh of Picasso, verzin weer iets waardoor de Franse impressionisten onder één noemer - een andere dan de vorige - gebracht worden, bouw de Place du Tertre na, en van vroeg tot laat staan de rijen voor het museum. Of gooi, zoals in Making Choices zeer veel uit een tijdvak bijelkaar. Je kunt trouwens niet zeggen dat het hier om één tijdvak gaat. Vandaar dat de voorstelling is verdeeld in elf afdelingen. Ik schrijf dit zonder ironie of scepsis. Het geheel is zeer de moeite waard. Ik kreeg weer het gevoel, zoals vroeger als ik naar Arthur Lehning luisterde, dat ik te laat geboren ben. Omstreeks 1900 was me misschien beter bevallen. Ik wil ermee zeggen dat deze jaren van Making Choices een periode van grote historische en ongeregisseerde avonturen omvat. Daarom, denk ik, is dit een tentoonstelling van ophef.

Dat heeft een praktisch nadeel. Om vijf over half elf was ik binnen. Ik was deel van een verspreide voorhoede. Anderhalf uur later was ik weer buiten. Rijen dik stonden ze voor de foto's van Walker Evans. Gedrang voor het prototype van de Rietveld-stoel en zijn buffet. Bij Mondriaan was er geen doorkomen meer aan. Voor het met bont gevoerd koffiekopje en de rest van Merrit Oppenheim's serviesgoed moesten ze in de rij staan. Het museumpersoneel torste nieuwe pakken brochures.

Ik had nog een tentoonstelling op mijn programma: een selectie uit de verzameling van Hans Prinzhorn, beeldende kunst, gemaakt door patiënten van psychiatrische inrichtingen. Daar zou het wel een stuk rustiger zijn. Stampvol. Je moest je pardon-excuus mompelend naar voren dringen. Toen ik een jaar of twaalf was, had ik Prinzhorn's beroemde boek Bildernei der Geisteskranken bekeken. Het stond ik de kast bij de vader van een vriendje. Nu herkende ik de bladzijden uit verscheidene handschriften: geen marge, bijna geen ruimte tussen de regels, geen stukje van het oppervlak ongebruikt gelaten. In het begeleidend boekwerk (dat niet gratis is) las ik de namen van de kunstenaars en wat ze mankeerden. De een leed aan paranoia, de ander was pyromaan. Nog een schilderij dat ik me herinnerde, kon ik niet vinden: een bundel uit de aarde groeiende armen.

We weten dat het werk van geesteszieken een inspiratiebron is geweest voor de Dadaïsten, de surrealisten. Sommige patiënten hebben toegang tot (zijn opgesloten in) afdelingen van de geest die de 'normalen' niet kennen, omdat ze niet van het bestaan weten, of omdat ze er liever niet binnengaan. De kunstzinnig begaafde patiënten brengen wat ze aantreffen, op papier.

Making Choices en de Prinzhorn collectie zijn het bekijken waard, om het beeld op zichzelf. Behalve dit zijn beide ook, impliciet, demonstraties van recente geschiedenis. De eerste bestaat voor een groot deel uit werk van 'geëngageerde' kunstenaars. Ik zet het tussen aanhalingstekens, omdat het langzamerhand een oude term is, en een begrip dat in ruime kring van eigentijdse denkers als achterhaald wordt beschouwd. Walker Evans, Gerrit Rietveld, Louis Kahn, Picasso en Hans Prinzhorn, ze hadden allemaal hun Utopia.

Wat brengt al die mensen ertoe, er weer naar te gaan kijken? Kijkend naar de gretige menigte vroeg ik me af: wat denken ze? Met Wall Street en de Nasdaq en de televisie met de nieuwe avonturen van Elian om de hoek? Het klinkt, ik geef het toe, wat pathetisch; maar zouden ze ook de zalen vol illusies zien?

`Making Choices', Museum of Modern Art, tot 27 juli, woensdag gesloten. `The Prinzhorn Collection', The Drawing Center, 35 Wooster Street, tot 10 juni.