Spreekbuis van een sprakeloze vader

Kader Abdolah schrijft zoals hij spreekt: met nadruk. Een onvergetelijke indruk maakte hij in het televisieprogramma Zomergasten, vorig jaar, toen hij een avondlang geïnterviewd werd door Adriaan van Dis. Onvermoeibaar praatte hij door, lettergreep na lettergreep, met felle oogopslag en heftige gebaren, terwijl Van Dis, bleek glimlachend, zijn best moest doen om niet het moede hoofd erbij neer te leggen. Hem en ons, kijkers, was allang duidelijk dat hij de regie uit handen had moeten geven. Waar het allemaal over ging, weet ik niet meer, maar wel dat Abdolah wilde getuigen van vroeger en nu, van daar en hier en van hoe het allemaal zo gekomen was.

Aanvankelijk leek het of zijn hamerende stijl vooral het gevolg was van zijn prille en daardoor nog wat povere kennis van het Nederlands. Maar inmiddels, twee verhalenbundels en twee romans verder, lijkt zijn nadrukkelijke manier van vertellen vooral een kwestie van karakter, of in elk geval van tweede natuur. Al in zijn debuut, De adelaars (1993), was er sprake van onleesbare notities van een vader, achterin een boek gekrabbeld, die de zoon vruchteloos trachtte te ontcijferen. In een verhaal uit De meisjes en de partizanen (1995) kreeg een zoon brieven van zijn Iraanse moeder die hij al evenmin kon lezen, maar die hij toch probeerde te interpreteren. En in zijn nieuwe roman, Spijkerschrift, wordt het nog weer duidelijker: Abdolah spreekt niet alleen namens zichzelf, maar vooral ook namens anderen, die zich niet of onvoldoende kunnen uitdrukken.

De hoofdpersoon van de roman heet Ismaiel en niet Kader of Hossein, zoals Abdolahs echte voornaam luidt, maar aan het autobiografische gehalte ervan hoeft niet te worden getwijfeld. Net als de vader van Abdolah, is Aga Akbar, de vader van Ismaiel, doofstom. Ter compensatie van zijn onvermogen tot spreken en horen, en in aanvulling op de gebarentaal die hij met zijn naasten en vooral met zijn zoon Ismaiel `spreekt', maakt hij aantekeningen in een soort spijkerschrift, dat niemand kan lezen, hijzelf evenmin. Dat spijkerschrift is ontleend aan eeuwenoude tekens die ooit zijn aangetroffen in een grot.

Na de dood van Aga Akbar krijgt Ismaiel, inmiddels gevlucht naar Nederland na het uitbreken van de Islamitische Revolutie van Khomeini, het onleesbare dagboek van zijn vader in zijn bezit. En hoewel hij ook na lang studeren de code niet weet te kraken, besluit hij er toch een echt boek van te maken, dat wel gelezen kan worden. Zo wordt de zoon die, toen hij nog in Iran woonde, stem gaf aan zijn sprakeloze vader, ook nog postuum diens spreekbuis. Maar, zo moet er meteen aan worden toegevoegd: geen slaafse, maar een zelfbewuste spreekbuis, die houdt van duiden, uitleggen en verbinden, ook als er strikt genomen niets te duiden, uit te leggen of te verbinden valt. `Wij zijn met z'n tweeën, Ismaiel en ik, zo heet het parmantig in het eerste hoofdstuk. Ik ben de alwetende verteller. (-) Hoewel ik alwetend ben, kan ik Aga Akbars notities helaas niet lezen.'

Het is een mooi gegeven – de sprakeloze vader die na zijn dood alsnog tot spreken wordt gebracht – dat door Abdolahs alwetende verteller met grote overtuigingskracht wordt uitgewerkt. Van een zielepoot met een gebrek groeit de vader in Spijkerschrift uit tot een ontroerende persoonlijkheid, eigenzinnig en respectabel, die zijn best doet voor zijn vrouw en kinderen, al loopt er ook geregeld iets in het honderd. Of het allemaal klopt, zullen wij nooit weten, maar dat doet er niet toe. Opmerkelijk is dat Abdolah soepeler en mooier formuleert dan in zijn vorige drie boeken, alsof een zwaar wolkendek van zijn schouders is gevallen. De zinnen zijn nog steeds kort en krachtig, maar er zit meer sfeer in, meer verhaal, meer liefde ook. We zijn niet in Nederland, maar `bij ons', op vertrouwd terrein, en dat merk je aan de iets zachtere, laconiekere toon. Een van de terugkerende motieven in de roman is het roken van opium, waaraan in Iran kennelijk veel mensen verslaafd zijn. Een bewerkelijke verslaving, die met veel smaak en inlevingsvermogen beschreven wordt: `Waar je ook bent, altijd ben je afhankelijk van een pijp, theepot, komfoortje met vers vuur, suiker, speciale theeglazen, een schone lepel, een tapijtje, en een veilige, rustige plek die uitzicht biedt op bomen, bergen of een mooi landschap.'

Het verhaal oogt eenvoudig. In korte zinnen die de vader zelf ook had kunnen begrijpen, wordt zijn levensgeschiedenis verteld, in overzichtelijke hoofdlijnen. Verwekt door een edelman, moeder jong gestorven, opleiding tot tapijtrestaurateur, huwelijk met een slimme, kordate vrouw met wie hij vier gezonde kinderen krijgt. Prachtige episodes komen er in voor, zoals het zoeken naar een geschikte echtgenote voor Aga Akbar, of het levensgevaarlijke gezeul van Ismaiel met een stencilmachine waarop hij in zijn studententijd verboden blaadjes drukt. Dat de geschiedenis treurig afloopt, heeft te maken met de politieke verwikkelingen in Iran – van sjah via Mossadeq tot ayatollah – die beknopt uit de doeken worden gedaan om niet te ver verwijderd te raken van Aga Akbar, die weinig benul had van de grote boze wereld.

Toch gaat het in Spijkerschrift niet alleen over de vader, maar ook over het vaderland, met zijn rijke dichterlijke traditie, zijn tapijten, zijn mooie bergen en zijn troostrijke pannen soep. En ook daar laat Abdolah, of zijn alwetende verteller, het niet bij, want hij probeert, al vertellend, zowel bij de Perzische als bij de Nederlandse literatuur aan te haken. Hij verwijst naar Omar Khayyám, maar ook naar Bloem, naar Farahani, maar ook naar Kopland, naar Hafez, maar ook naar Van Eyck. Een bijzondere verwantschap lijkt hij bovendien te voelen met Multatuli. Hij citeert een passage uit Max Havelaar, vergelijkt het dagboek van Aga Akbar met het pak van Sjaalman en het is natuurlijk niet toevallig dat de moeder van Ismaiel luistert naar de weinig Perzisch aandoende naam Tine.

Abdolahs held heeft ook wel iets theatraals, net als Max Havelaar. Hij heeft veel geleden, zo laat hij doorschemeren, eerst als leidsman van zijn doofstomme vader, later als dienaar van zijn land, dat hij probeerde te bevrijden van een sjah en vervolgens van een imam. Tenslotte hervindt hij zich, als politieke vluchteling, in een stadje aan de IJssel. Daar wordt hij zich, ouder en wijzer, steeds meer bewust van de tand des tijds. Alles verdwijnt op den duur, stelt hij somber vast, als je maar lang genoeg wacht. `Khomeini is inmiddels weg, dood, alsof hij nooit bestaan heeft (–). Ook de Sovjet-Unie bestaat niet meer. (–) Alles is weg. Iedereen is weg. Ik ook.' Daarom is hij er ook zo op gebrand om het spijkerschrift van zijn vader in een echt verhaal om te zetten, want straks is er niemand meer die dat kan doen. Dat dat erg jammer zou zijn geweest, dat hamert Abdolah er, namens zijn veelstemmige achterban, woord voor woord bij ons in.

Kader Abdolah: Spijkerschrift. De Geus, 380 blz. ƒ49,90

Nederlandse literatuur