`Soms schaam ik me als Balkan-schrijver'

De Albanese schrijver Ismail Kadare maakt van zijn hart geen moordkuil als het over de Balkan gaat. Hij was vóór het NAVO-ingrijpen. ``Hoe durft men te zeggen dat het nu net zo erg, of nog erger is dan tevoren? Zoiets zeggen is een vorm van onverdragelijk racisme tegen het Albanese volk.'' De suggestie dat hij zijn romans gebruikt om nationalistische thema's te ventileren, wijst hij af.

``Dat boek is geschreven in een tijd, dat Kosovo nog niemand interesseerde'', zegt de Albanese romanschrijver Ismailt Kadare (1936) over zijn zojuist in Nederlandse vertaling verschenen De versteende bruidsstoet, uit 1983. De roman behandelt de Servische repressie in Pristina in 1981, na een bloedig neergeslagen betoging van Albanese studenten. Het is, vertelt de auteur, gebaseerd op directe getuigenissen want in die jaren kon een Albanees uit Albanië nog vrij eenvoudig naar Kosovo reizen.

``Ook de communisten in Albanië waren niet blij met het boek'', zegt Kadare. ``Het was ook absoluut niet zo dat, zoals de Serviërs beweerden, de studentenopstand in 1981 door provocateurs uit Albanië was georganiseerd. Integendeel: de Albanese communisten vonden het wel mooi, dat er naast Albanië zelf nog een gebied was waar Albanezen woonden, en waar het leven nog erger was. De Versteende Bruidsstoet kon in Albanië ook alleen maar in een tijdschrift verschijnen, niet als boek''.

Over twee paspoorten beschikt Kadare tegenwoordig: zijn Albanese, en een van Frankrijk, waar hij in 1990, in de nadagen van het communisme in Albanië politiek asiel kreeg. Ik heb hem sindsdien drie keer ontmoet, maar deze maal is hij verreweg het vrolijkst.

In de eerste jaren van zijn ballingschap, toen hij zich bovendien moest verweren tegen beschuldigingen dat hij een vriend van het regime geweest was, leek hij gedeprimeerd: steeds maar moeten uitleggen hoe hij in een van de meest repressieve staten van Europa ook een van Europa's grootste romanschrijvers had kunnen zijn, zonder zijn ziel aan het regime te verkopen, viel hem duidelijk zwaar.

Maar inmiddels lijkt zijn status als grootste levende Albanese auteur zijn glans te hebben teruggekregen - de Albanese ambassadeur staat hem bij aankomst in Amsterdam op te wachten. Het was ook een vrolijk jaar voor de Albanezen, ,,omdat de Albanezen in Kosovo hun vrijheid hebben teruggekregen'', laat Kadare weten. ,,Na bijna twintig jaar hebben de regeringen van Europa eindelijk hun verantwoordelijkheid genomen voor Kosovo en ingegrepen''.

Zoals het een nationale schrijver betaamt, heeft Kadare in dat jaar van zijn hart geen moordkuil gemaakt en menigmaal van zich doen spreken met open brieven en opstellen over de actuele situatie. Hij heeft zelfs nog een bescheiden rol achter de schermen gespeeld, blijkt uit zijn in Frankrijk verschenen Journal de la guerre du Kosovo.

Zo heeft hij vorig jaar de Albanese delegatie op de onderhandelingen in Rambouillet aangeraden het akkoord te tekenen - dat de Serviërs dat vervolgens niet wilden doen was de formele aanleiding voor het Navo-ingrijpen.

``Omdat het akkoord eiste dat de Albanezen formeel zouden afzien van onafhankelijkheid voor Kosovo, waren heel wat leden van de delegatie bang dat ze, eenmaal weer thuis, voor verraders zouden worden uitgemaakt'', vertelt Kadare. ,,Ik heb ze op het hart gedrukt om wél te tekenen, want anders zou de goodwill van de Navo voor de Albanezen onder een kritisch niveau zijn gedaald. En ik heb ze beloofd me de volgende dag openlijk achter hun optreden te scharen, op het gevaar af zelf ook als verrader van de Albanese zaak te worden uitgemaakt''.

Uit het Journal blijkt ook dat Kadare zoveel mogelijk afstand bewaart tot de praktische politiek, in Kosovo net zo goed als in Albanië. Het optreden van Hashim Thaçi, de `Mandela van Kosovo' voorziet hij van kritische of ironische kanttekeningen, net zo goed als dat van Ibrahim Rugova, de `Gandhi van Kosovo'. Maar dat weerhoudt de schrijver er geenszins van woorden als `misdadig', `laf' en `lasterlijk' in de mond te nemen, wanneer hij meent dat het aanzien van de Albanese natie in het geding is. Met name de houding van sommige Europese intellectuelen die twijfels uiten aan het nut van het ingrijpen van de Navo, omdat sindsdien de etnische zuivering van het gebied in omgekeerde richting (Albanezen tegen Serviërs) is voortgezet, is de schrijver een doorn in het oog.

``Hoe durft men te zeggen dat het nu net zo erg, of nog erger is dan tevoren'', zegt Kadare heftig. ,,Zulke dingen zeggen is een vorm van onverdragelijk racisme tegen het Albanese volk. Natuurlijk: er vinden in Kosovo wraakacties plaats tegen Serviërs, die niet zijn goed te praten, die lamentabel zijn - moord op bejaarden bijvoorbeeld. Maar die gevallen op één lijn te stellen met de jarenlange Servische repressie, of de minstens achtduizend slachtoffers tijdens de zuiveringen vorig jaar? Het is geestelijke lafheid, zoiets te beweren''.

Ook over de wijdverbreide bezorgdheid in het Westen voor `Grootalbanese' ambities die van de Albanezen zouden uitgaan, kan Kadare zich aardig kwaad maken: ``Niemand in Albanië of Kosovo heeft plannen voor zo'n Groot-Albanië. De Albanezen zijn arm, die hebben echt wel andere zorgen. Maar aan de andere kant: waarom zouden de Albanezen het enige volk zijn in Europa, dat principieel het recht moet worden ontzegd te leven op de manier waarop hun dat goeddunkt?

``Natuurlijk, een staatkundige vereniging van de Albanezen heeft pas kans van slagen als de Balkan weer tot rust is gekomen, en als over de nationale grenzen op de Balkan niet meer zo dramatisch wordt gedacht als nu. Als ik nu wel eens Griekse of Servische auteurs lees over hun nationale grenzen, dan schaam ik me wel eens een schrijver van de Balkan te zijn. Maar de Albanezen allerlei rechten te willen ontzeggen, is ook een vorm van racisme''.

Kadare is, in de jaren dat hij onbereikbaar voor de rest van de wereld in Albanië zat, bekend geworden door grote historische romans als Nis der schande of Kroniek van de stenen stad. Pas de laatste jaren verschijnt ook ander werk uit die tijd in het westen.

Zoals nu, in het Nederlands, Dossier H., een curieus boek uit 1980 over twee Amerikaanse etnografen die in de jaren dertig naar Albanië afreizen om daar volkspoëzie op te tekenen. ``Het was in communistisch Albanië niet altijd eenvoudig een onderwerp voor een roman te vinden'', zegt de auteur. ``Er waren taboes, allerlei zaken waarover niet geschreven mocht worden. Toen heb ik dit gevonden. Het boek speelt in het koninkrijk Albanië, en zoals u gemerkt hebt, steek ik met iedereen de draak: de spionnen van de regering die de etnografen in de gaten moeten houden, de vrouw van de onderprefect die de etnografen probeert te verleiden''.

Ja maar, opper ik, het verhaal is toch ook een excuus om enkele nationalistische Albanese thema's te ventileren: dat de huidige Albanezen direct afstammen van de Illyriërs, een volk dat zich in cultuur met de Oude Grieken zou kunnen meten bijvoorbeeld. Is dat dan geen bijdrage aan de dramatisering van nationale tegenstellingen op de Balkan?

``De Albanezen'', zegt Kadare, ``zijn een energiek volk, dat met rust gelaten wil worden en waarvan niemand iets te vrezen heeft. Als, zoals nu het geval lijkt, Europa zich serieus met de Balkan blijft bezig houden, dan zullen ook de Albanezen in vrijheid hun aandacht op positive zaken kunnen richten, en zal de haat op de Balkan verdwijnen''.

`De versteende bruidsstoet' (157 blz. ƒ29,90) en `Dossier H.' (191 blz. ƒ34,90) verschenen deze maand bij Van Gennep, in vertaling van Roel Schuyt.

`Journal de la guerre du Kosovo' verscheen in vertaling van Jusuf Vrioni bij Fayard (244 blz. ƒ42,15).

Buitenlandse literatuur