Schrijvers, slagers en Zweedse meisjes

Bunkerhill noemt zichzelf `Tijdschrift met literatuur'. Dat klinkt een beetje naar `appeltaart met slagroom'. Je hebt al een tijdschrift en dan krijg je bovendien nog literatuur. Maar zo is het niet, zonder literatuur zou er in het geval van Bunkerhill ook geen tijdschrift zijn. Men wilde dus alleen maar niet zoiets sufs als `literair tijdschrift' zijn. Best.

De literatuur in het tijdschrift komt niet van de redacteuren. Zij kiezen. Veel nieuw werk van betrekkelijk jonge schrijvers. Zo debuteert Philipppe Ceulemans (1958) als dichter in dit nummer, iemand die `hypomanie en labiele metalen' gestudeerd heeft, wat al meteen veelbelovend klinkt, vermoedelijk omdat wie niet precies weet wat het is getroffen wordt door dat `labiele' in combinatie met iets wat je geneigd bent voor nogal onlabiel te houden. Zijn gedicht `We zullen' is ook veelbelovend stevig, op een vitale manier realistisch, in de zin van `zien hoe het is', beschrijft het alles wat `we' in het leven zullen doen: ,,We zullen leven, dat we verstommen, we zullen jaren lezen, dat we weten,/ we zullen naar de oorlog, dat we begrijpen, naar de cafés en de kermissen,/ naar de markten en supermarkten, we zullen lid worden, meelopen met de/ dorpsfanfare (-)''. Dat heeft een goede toon.

Er staat meer aardige poëzie in dit nummer. Zo ook een fragment uit de nieuwe roman Troje van Rob van Essen die in 1996 debuteerde met Reddend zwemmen. Het verhaal in Bunker Hill heet `Zweedse meisjes' en er wordt een verblijf van een jonge Nederlander in Skipsvall, `de saaiste stad van Zweden' beschreven. De jongen is daar blijkbaar omdat hij enige afstand moet nemen van de situatie in Amsterdam en meer in het bijzonder van een voormalige vriendin, maar daar gaat het verder nauwelijks over. De vraag is waar het wel over gaat, want het leven in de jeugdherberg van Skipsvall is daadwerkelijk saai. Toch is dit fragment dat niet, dat heeft de afstand die tijd maakt tot iets wat verglijdt bijna zonder ons te raken. Tegelijkertijd kiest Van Essen details die de smaak van die Zweedse zomerdagen weergeven, waarop Thomas zich ontwikkelt tot een soort opzichter over de bootjesvijver die met opgerolde broekspijpen door het water waadt. ,,Soms stond hij midden in de vijver glimlachend tegen de vuurtoren geleund en duwde met zijn voet de bootjes die op hem afkwamen terug. De kinderen voeren dan meteen weer op hem af, met vrolijke, gemene grijnsjes en hun kleine handen om de stuurwielen geklemd.'' Vooral die `vrolijke, gemene grijnsjes' zijn treffend.

Het is vrijwel allemaal primaire literatuur die Bunker Hill biedt, ook in vertaling. In het nummer staat slechts één beschouwend stuk. Dat is dan ook meteen heel eigenaardig: de Antwerpse dagboekschrijver en slager Jan Foster, die `tweehonderd-en-één mensen' vermoordde, aan welk aantal Jan van Loy, de schrijver van het stuk, er op goede gronden nog één toevoegt. Geen van die moorden is ooit opgelost. De dagboeken geven weinig details en zijn in droge stijl geschreven: ,,Het moorden is iets wat mij in bezit neemt, een gewoonte, zoals ander gewoonten die niet goed zijn maar toch onmogelijk te laten zijn, gewoonten die men zelfs in zijn slaap beoefent.'' Een Nederlandse vertaling (Foster schreef in het Frans) verscheen in 1992. Jan van Loy maakt zich druk over de tekst van de gedenkplaat die de Antwerpse gemeenteraad op het geboortehuis van Foster liet aanbrengen: `Hier woonde Jan Foster (1883-1924) Slager'. Dat `slager' valt bij Van Loy helemaal verkeerd, Foster wilde immers geen slager zijn, hij werd daar door zijn vader (die hij later heeft vermoord) toe gedwongen. Er had `schrijver' moeten staan.

Bunker Hill nr. 10. Uitg. Stichting Bunker Hill en uitgeverij Thomas Rap. Prijs ƒ 10,-