Schadevergoeding oorlogsweeskind

Na 57 jaar krijgt oorlogsweeskind David van Huiden rechtsherstel van de gemeente Amsterdam.

De gemeente Amsterdam zal David van Huiden een bedrag van 50.000 gulden betalen als tegemoetkoming voor de ,,bijzondere hardheid en schrijnendheid'' waarmee hij als weeskind na de oorlog is behandeld. Zijn stiefvader Maurits Hamburg, tot 1941 ambtenaar van de gemeente Amsterdam, wordt postuum rechtsherstel verleend.

Voorzover bekend is het de eerste keer dat een gemeente overgaat tot schadevergoeding aan een individuele oorlogsgetroffene. Volgens burgemeester Patijn is het geval van Van Huiden zeer uitzonderlijk en schrijnend. ,,Als je met de ogen van nu kijkt, is het niet te begrijpen hoe hij toen is behandeld.'' Volgens Patijn is Van Huiden slachtoffer geworden van de toen geldende wetten op rechtsherstel. ,,Het is niet zo dat mijn voorgangers gefaald hebben. Het is meer: hoe harder de wet, hoe groter het onrecht.''

Hamburg werd in 1941 ontslagen omdat hij joods was en kort daarna gedeporteerd naar Sobibor. Al in 1946 liet de Nederlandse overheid bij wet vastleggen dat onterecht ontslagen ambtenaren hun baan konden terug krijgen. Als de ambtenaar was overleden, konden de nabestaanden aanspraak maken op het pensioen. Het verzoek tot rechtherstel moest 120 dagen na inwerkingtreding van de wet worden ingediend.

Van Huidens zaakwaarnemer deed dat. Toenmalig wethouder Franke van Amsterdam bevestigde dat Maurits Hamburg een ,,normaal geval is van een Joodse ambtenaar waarop de wet van toepassing is''. Maar de wethouder wilde wel een overlijdensakte zien. En dat was een probleem, want Hamburg stond net als alle andere overleden joden geregistreerd als vermist en van vermiste personen kon pas na een wetswijziging in 1949 een overlijdensakte worden opgemaakt.

Uit het rapport van de commissie-Scholten uit 1999, die onderzoek deed naar financiële tegoeden WO-II in Nederland, blijkt dat de gemeente Amsterdam na de oorlog meer dan de helft van alle onslagen joodse ambtenaren geen rechtherstel heeft verleend. Volgens de commissie handelde de gemeente Amsterdam ,,naar de letter van de wet'' en werden ,,geen pogingen gedaan ambtenaren of hun nabestaanden op te sporen''. Dit in tegenstelling tot Den Haag en Rotterdam die veel coulanter handelden. Deze gemeenten eisten geen overlijdensakte, maar beschouwden de dag van vertrek naar Westerbork als overlijdensdatum, waarna de schadeloossteling aan de nabestaanden kon worden uitgekeerd.

Maar ook na overhandiging van de overlijdensaktes in 1950 wijst de gemeente Amsterdam het verzoek om rechtsherstel af. Volgens de ambtenaar is Van Huiden alleen erfgenaam als blijkt dat zijn stiefvader eerder is overleden dan zijn moeder. Beiden werden op dezelfde dag in Sobibor vergast. ,,Wie hunner het eerst is overleden'' is onmogelijk vast te stellen, realiseert ook de gemeente zich. Toch wordt niet overgegaan tot rechtsherstel. De wettelijke termijn waarbinnen het verzoek kon worden ingediend, de 120 dagen, is overschreden.

Pas in 1992 krijgt Van Huiden toestemming zijn dossier in te zien. Hij verzoekt daarop burgemeester Patijn alsnog om rechtsherstel. Na twee jaar antwoordt de gemeente hem dat een beroep op de Wet Rechtsherstel Overheidspersoneel niet mogelijk is. De termijn van 120 dagen is verstreken.

Patijn had ,,geen vrede'' met deze beslissing, zegt hij nu. ,,We hebben daarom besloten tot een oplossing waartoe we als gemeente niet verplicht waren. Het Rijk zal de joodse gemeenschap 400 miljoen gulden betalen ter compensatie voor geroofde bezittingen. In principe vallen daar ook dit soort `dossiers' onder.