Romantiek van baksteen

Twintig jaar geleden vlogen in Amsterdam de bakstenen door de lucht bij de troonsbestijging van Beatrix. Krakers werden voorpaginanieuws, met politieke taal die in cynisme en radicaliteit alleen werd overtroffen door hun paranoia. Geschiedenisboeken maken de balans op.

Toen alles voorbij was, doopte de magistraat zijn pen in ironie en schreef: `Het jaar 1980 mag dan de vergelijking met jaren als 1491, 1566, 1672, 1748, 1886 of 1918, die als erkend roerige jaren de vaderlandse geschiedenis zijn ingegaan niet doorstaan, door de beoefenaren der openbare ordeverstoring mag het niettemin als een vruchtbaar jaar worden herdacht.' Zo begon het jaarverslag van het openbaar ministerie over 1980.

Het was de halve waarheid. Doden vielen er niet, maar in roerigheid hoort 1980 gegarandeerd in bovenstaand rijtje thuis, althans wat Amsterdam betreft. Nooit vonden zoveel straatgevechten plaats als in dat cruciale jaar, totdat de stad half stikte in het traangas. Er was echter één verschil met al die andere jaartallen: het politieke effect van al die opwinding bleek uiteindelijk minimaal. Het was, zoals uit de kraakgeschiedenis van schrijverscollectief Bilwet Bewegingsleer valt op te maken, misschien wel vooral een beweging óm de beweging, een laatste explosie van romantisch levensgevoel voordat de nieuwe zakelijkheid van het poldermodel alle kieren en luchtgaten zou dichtkitten.

De rellen rondom de inhuldiging van koningin Beatrix, dit weekend precies twintig jaar geleden, waren het meest omvangrijk en ze trokken ook de meeste aandacht. Maar met het koningshuis hadden ze weinig van doen. Ze vormden niet meer dan een onderdeel in een veel langere keten van ongeregeldheden, die in de kern voortdurend draaiden om dezelfde reeks vragen: wie behoort de openbare ruimte toe, waar ligt de grens tussen privé en publiek, van wie is de stad?

Amsterdam verkeerde tussen 1965 en 1985 telkens weer in onrust. Vanaf het einde van de jaren zeventig vonden er vooral schermutselingen plaats tussen de politie en de krakers, met als hoogtepunt de befaamde `tankdozers' die barricades aan de kant schoven in de Vondelstraat. Gedetailleerde plannen om de inhuldiging op 30 april te verstoren waren er echter niet – later is dat door alle partijen schromelijk overdreven. Wel werd de paranoia opgevoerd door de affiches van een groepje uit de Staatsliedenbuurt dat zichzelf met de interessante titel `Autonomen' tooide. De gevolgen zijn bekend.

Na die 30ste april kwam de kraakbeweging in een stroomversnelling. In Haarlem, Utrecht, Den Haag, Amsterdam, Den Bosch, Groningen en Nijmegen waren krakers al op grote schaal actief, maar nu kreeg vrijwel iedere gemeente ermee te maken. De woningnood onder jongeren was groot, en tegelijkertijd stonden er nogal wat panden leeg waarmee de eigenaars speculeerden. Overal waren ook half dichtgetimmerde buurten die wachtten op de stadssanering. Het aantal krakers steeg tussen 1980 en 1981 tot zo'n 20.000. Ze begonnen hun panden zelf op te knappen, er ontstonden kleine bedrijfjes, gereedschapsuitlenen (`De Blauwe Duim'), drukkerijtjes en theatertjes. Kraakcafés fungeerden als knooppunten in het netwerk, en tegelijk als financieringsbron. De solidariteit met alle onderdrukten was onbegrensd, vriendschappen en liefdes bloeiden, het leven was intens.

Veruit het grootst was de beweging in Amsterdam. Ze was er bovendien het meest radicaal omdat het kraken er niet, zoals in andere steden, was ontstaan uit gematigde hulpverleningsinstellingen als JAC en Release. Tussen mei 1980 en februari 1981 gingen in de hoofdstad nog eens zes keer de tegels uit de stoep: op 31 mei aan de Herengracht bij de Vogelstruys, op 19 augustus aan de Prins Hendrikkade, waar 2000 ME'ers de luxe appartementen heroverden, op 9 september op het Rokin, op 10 oktober bij de opening van de metrolijn (163 demonstranten werden opgepakt), op 2 december bij het Rijksmuseum waar een leger ME'ers de Grote Wetering ontruimde, in het weekend van 8 februari 1981 aan de Prinsengracht. Ten slotte trok iedereen naar Nijmegen voor de grote finale: op 23 februari werd daar een reeks arbeidershuisjes aan de Piersonstraat ontruimd, opnieuw met tankdozers en pantserwagens. Begin 1981 gingen de stofwolken van deze `stadsoorlog' eindelijk wat liggen, maar het zou zeker nog vijf jaar duren voordat het laatste rumoer was weggeëbd.

Bij een terugblik, twee decennia later, vallen een paar dingen op. Allereerst is daar de rol van de traditionele strijders van links. De mensen van de buurtgroepen en de huurcomités, de activisten die het stadsleven al vanaf de jaren zestig op z'n kop hadden gezet: ze konden geen kant op met deze nieuwe beweging. Er waren een paar persoonlijke verbindingslijnen, met name via de Aktiegroep Nieuwmarkt, maar de meesten stonden opeens aan de zijlijn, met gestaag afnemende gevoelens van solidariteit.

Gekraakt hadden ook zij al: in 1963 waren er al `klandistien bewoonde' panden in de Generaal Vetterstraat en op Kattenburg. In mei 1976 waren er alleen in Amsterdam naar schatting zo'n 700 kraakpanden, met ongeveer 5.000 bewoners. Utrecht kende op dat moment zo'n 2.500 krakers, Haarlem 1.500. Maar altijd hadden deze actievoerders vrij precies geweten waarvoor zij stonden: voor kleinschalige buurten, voor socialisme, voor meer inspraak, meer vrijheid, meer woningen voor iedereen.

Bij deze nieuwe groeperingen was dat anders. Eric Duivenvoorden beschrijft in Een voet tussen de deur, zijn geschiedenis van de kraakbeweging, overtuigend hoe de krakers rond 1980 vrij abrupt veranderden van een `normale' beweging vóór jongerenhuisvesting in een tégenbeweging, tégen autoriteiten, tégen de consumptiemaatschappij, tégen onderdrukking, uitbuiting, dwang, kortom, alles wat mensen belet om hun lot zelf in handen te nemen. Het kraakpand fungeerde in die nieuwe subcultuur als een vaste burcht waarbinnen van harte geëxperimenteerd kon worden met woon-, werk- en leefvormen, en die tegelijkertijd als uitvalsbasis fungeerde tegen alle onrecht in de wereld. `Het enige wat de krakers zeker weten is wat zij niet willen', zo vat hij de toenmalige kraakideologie kernachtig samen. `Waar dat eigenmachtige lot uiteindelijk toe moet leiden, is geen vraag die de doorsneekraker bezighoudt.'

De geboortejaren van de gesprekspartners van Ine Poppe en Sandra Rottenberg, auteurs van de interviewbundel De Kraakgeneratie (eerder besproken in Boeken 11.02.00) zijn veelzeggend: 1957, 1960, 1956, 1962, 1964. De rebellen van de jaren zestig hadden nog een portie naoorlogse soberheid meegemaakt, maar deze generatie had, voor het eerst, enkel welvaart gekend. En uitgerekend zij werden geconfronteerd met een economische recessie, bezuinigingen, inkrimping van de verzorgingsstaat en een perspectief van langdurige werkloosheid. Demografen spraken al over een `verloren generatie'.

Een deel van deze jongeren kroop zo dicht mogelijk onder de paraplu van de ouderen om droog te blijven. Ze conformeerden zich in extreme mate aan de wereld van de gevestigden en de machtigen: de latere yuppen. Een andere deel koos voor de positie van buitenstaander. Ze ontwikkelden zich, zoals Poppe en Rottenberg het noemen, tot een `doe-het-zelf-generatie', met arbeiderskleding uit de jaren dertig, een levensstijl van eerlijke soberheid, en dat alles onder de geuzenvlag `No Future'. Ze praatten minder, deden meer. Bij hen was geen sprake meer van wereldhervormende ideologieën. De ooit veelbezongen inspraak werd weggehoond, de acties waren direct, fysiek, lokaal en offensief. Het `politiek haalbare' telde niet. Geweldsgebruik had zijn taboe verloren. Maar ook de luchthartigheid van de jaren zestig was voorbij. De toon was streng, de kleuren waren donker en in sommige kraakpanden was het al mis als je per ongeluk de foute schoenveters had.

Wat plechtiger gezegd: de actievoerders van de jaren tachtig waren niet meer op participatie gericht, op meedoen in het systeem, zoals in de jaren zestig, maar eerder op dissociatie, een zich afsluiten in de eigen subcultuur van de kraakpanden en kraakcafés. Het kraken van distributiewoningen was bijvoorbeeld bij de `participerende' actievoerders van de jaren zestig volstrekt `not done'. Bij de nieuwe generatie werd het een normale gang van zaken: hun systeem is het onze niet. De kraakspreekuren, die aanvankelijk voor iedere woningzoekende open stonden, werden vanaf 1980 steeds vaker een politieke sluis: wie laten we wel tot onze groep toe, wie niet? De massale organisatie veranderde zodoende, aldus Duivenvoorden, in `een in mootjes gehakte splinterbeweging, die kenmerken begint aan te nemen van een geheim genootschap'. Ook intern ontstonden op den duur allerlei splitsingen. In een pakhuizencomplex aan het Waterlooplein werd zelfs een muur opgetrokken, dwars door het pand, die twee ruziënde groepen uit elkaar hield.

Tegelijkertijd bekommerden steeds minder hoofdstedelijke krakers zich om de vraag wat hun overige 700.000 stadsgenoten eigenlijk deden en dachten. Zelfs het boeiende feitenrelaas van Eric Duivenvoorden – grotendeels gebaseerd op het zogenaamde Staatsarchief – ontkomt soms niet aan deze eenkennigheid. Wie had twintig jaar geleden kunnen denken dat er een geschiedenis van de kraakbeweging zou verschijnen zonder, bijvoorbeeld, één woord over de rol van Radio Stad en de legendarische verslagen van Stan van Houcke? Of over advocaten als Phon van der Biesen, Dolf Hartkamp en het Advokatencollectief Noord – hoewel de kraakbeweging zonder hun taaie juridische strijd nergens was geweest? En hoe kun je zo'n omvangrijk geschiedenisboek schrijven zonder maar te reppen over, met name, het Amsterdamse huisvestingsbeleid in zijn algemeenheid en de gevechten om kapitaal die Jan Schaefer in die tijd voerde?

In zijn roman Boze Geesten geeft Dostojevski een prachtige beschrijving van de gewezen revolutionair Stepan Trofimowitsj, die hij vergelijkt met Gulliver die terugkwam uit het land van de lilliputters: hij bleef zich een reus voelen, ook toen hij gewoon weer door de straten van zijn eigen stad liep, hij bleef voetgangers en rijtuigkoetsiers toeroepen dat ze moesten oppassen dat hij ze niet per ongeluk zou vertrappen, hij bleef maar denken dat hij gigantisch was en al de anderen klein.

In een soortgelijke roes leefden na 1980 ook delen van de kraakbeweging. De `anti-impies' brachten de ontruiming van hun pand in de Tesselschadestraat moeiteloos in verband met `het revolutionaire verzet tegen het verenigd Europa van het kapitaal'. Latere RaRa-aanslagen – bijvoorbeeld in april 1989 tegen Shell in Hilversum – hadden soms meer te maken met interne machtsconflicten dan met welk wereldprobleem dan ook. Andere groepen voelden zich gerechtvaardigd tot de `strategie van de maximale schade', waarbij overal winkelruiten aan diggelen gingen en etalages werden geplunderd. Dat men zo de hele stad van zich vervreemdde, werd op de koop toe genomen. Op een gegeven moment moest `de Lucky Luijk' worden heroverd op een knokploeg: 200 krakers werden ingezet, de operatie werd voorbereid met militaire precisie, en dat alles om welgeteld drie kraakwachten te overmeesteren. Toen op 11 oktober 1982 na de ontruiming van datzelfde pand een tram in brand vloog – overigens buiten de directe schuld van de krakers – wist iedere Amsterdammer dat het voorbij was met de sympathie. Van de tram blijf je af in deze stad. Alleen de krakers zelf hadden niets in de gaten.

De kraakbeweging deed in veel opzichten denken aan de Autonomen in Italië, een ideale broedplaats voor terroristische groepen als de Rode Brigades. Toch is het nooit zover gekomen. De politie heeft zelden of nooit geschoten – al was het soms op het randje. Door de krakers is slechts tweemaal met molotovcocktails gegooid, hoewel die in grote getalen aanwezig waren. De RaRa-aanslag op het huis van staatssecretaris Kosto werd intern algemeen afgekeurd. Er waren duidelijk grenzen en codes: geweld tegen personen, schade aan buitenstaanders, het diende zoveel mogelijk voorkomen te worden. Voortdurend waren er ook binnenskamers felle discussies. Ondanks een paar vergaande pogingen – Sandra Rottenberg en Ine Poppe onthullen onder andere een mislukte aanslag op het Lauwersmeer-gemaal – is er uit de kraakbeweging geen polderterrorisme van enige omvang ontstaan. Dat heeft wellicht te maken met de politieke traditie van dit waterstaatsland. Het is echter ook de verdienste geweest van de meer gematigde krakers, die hun radicale kameraden niet openlijke afvielen en ze zo binnenboord hielden. Het bleef, wat dit betreft, allemaal heel Hollands.

Dat de beweging tenslotte zou imploderen lag in de lijn der verwachting. De jarenlange pogingen van de voorman van de Staatsliedenbuurt, Theo van der Giessen, om de boel als een nieuwe Lenin om te smeden tot een geoliede politieke organisatie waren tot mislukken gedoemd. Het bleef `een samengeraapt zootje van de meeste uiteenlopende types met ieder zijn drijfveren en motieven', aldus Eric Duivenvoorden. `Als er al op sommige momenten sprake is geweest van een eenheid, dan kon die alleen tot stand worden gebracht door de onderlinge verschillen in politieke motivatie zoveel mogelijk te verdoezelen.'

Ik wil nog wat verder gaan: was hier eigenlijk nog wel sprake van een politiek fenomeen, zoals Duivenvoorden blijft veronderstellen? Waren er niet allerlei signalen die op iets heel anders wezen: het uitstel van volwassenheid, de nadruk op eigen kleding, symbolen, codes, de afscherming van de rest van de wereld? Was hier, achteraf gezien, niet veel meer sprake van een typisch sociaal-cultureel verschijnsel, een jongerenbeweging die zich rechtvaardigde met een dunne laag politieke retoriek?

Duivenvoorden telt in zijn overzicht maar liefst zes generatiewisselingen. Dat is waanzinig veel voor zo'n korte tijd. Drie tot vijf jaar, veel langer waren de meeste krakers niet actief. Kennis en ervaring werden niet of nauwelijks overgedragen, en iedereen boven de vijfendertig werd weggeschoven als `oude lul'. Geen serieuze politieke groep zou zich ook zo gemakkelijk hebben laten `afkopen' met geld en etages, de manier waarop bijvoorbeeld de kraakbeweging in de Staatsliedenbuurt is gepacificeerd. En wat er door sommigen achteraf op het conto van de kraakbeweging wordt geschreven – bijvoorbeeld het `bouwen voor de buurt' – is vaak al veel eerder bereikt, in de strijd van de buurtactivisten en de ommezwaai van de PvdA in de jaren zeventig.

Tekenend is de snelheid waarmee deze hectische beweging deelnemers versleet. Bijna iedereen beschrijft een worsteling om zichzelf te hervinden, en daarna een moment van afknappen: bij de zoveelste macho-actie van de zware jongens, bij het kraken van weer een distributiewoning voor een stel Engelse hippies, bij de Lucky Luijk, waar het gemeentelijke aanbod om er betaalbare woningen voor gewone mensen van te maken genegeerd werd, enkel omdat een kleine groep weer zijn vechtpartij moest hebben.

Tekenend is ook de manier waarop de meeste geïnterviewden nu terugkijken: ze praten over hun eigen ontwikkeling in die periode, over de vormende werking van het samen wonen en strijden, zelden over wat er concreet bereikt is voor buurt en stad.

Een boomstam die in een vijver valt is nog geen schip. Een politieke beweging moet kunnen manoeuvreren in het politieke veld. De kraakbeweging wilde dat niet, maar was daartoe ook niet in staat. Men liep voortdurend vast op de eigen, innerlijke tegenstrijdigheid: aan de ene kant wilde men niets met `de staat' en `het systeem' van doen hebben, aan de andere kant werden er voortdurend eisen aan gesteld, als een moedertiet waaruit eindeloos subsidies en uitkeringen konden worden gemolken.

Duivenvoorden beschrijft gedetailleerd hoe op vrijwel alle cruciale momenten de krakers met geen mogelijkheid tot een eenduidige besluitvorming konden komen. Al vanaf de rellen van 30 april 1980 bestond er een openlijke tweedeling tussen degenen die zich afkeerden van het straatgeweld en degenen die juist op die lijn wilden doorgaan. Bij de ontruiming van het Wijers-complex in 1983 verspeelde men zelfs het compromis dat de gemeente aanbood, een reeks panden aan het Entrepotdok (!), enkel omdat men er niet mee om kon gaan.

Hier keerde de romantiek zich ten slotte ook tegen de eigen beweging: alleen het individuele gevoel gaf de doorslag, de korte termijn, de kick van het straatgevecht, en wat de meerderheid vond telde niet. Het verwijt van de krakers was altijd dat hun beweging werd `gedepolitiseerd'. Toch hebben ze daar zelf de grootste bijdrage toe geleverd.

In totaal hebben naar schatting 35.000 Nederlanders zich kortere of langere tijd `kraker' genoemd. Meer dan de generatie van de jaren zestig zijn ze hun idealen trouw gebleven. Het bleven doe-het-zelvers, in de film- en tv-wereld, in de journalistiek, in allerlei eigen bedrijfjes. Een exploitant van een kraakcafé is groothandelaar in bier geworden. Een ander gebruikt zijn improvisatietalenten nu in het opzetten van vluchtelingenkampen in Afrika. Hun beweging was meer dan ketelmuziek, maar over de diepere achtergronden moeten latere historici zich nog maar eens buigen. Misschien was het een moment van waarheid: een generale repetitie voor wat kan gebeuren als mensen die enkel een geschiedenis van welvaart hebben, opeens in een crisis verzeild raken. Misschien was het een laatste toevluchtsoord voordat de postmoderne disciplinering ongenadig zou toeslaan. Misschien was het beide. Voor dit moment moeten we het doen met de boeiende sfeertekeningen van Bilwet, Sandra Rottenberg en Ine Poppe. Plus nu ook het kleine standaardwerk van Eric Duivenvoorden. Want dat staat voorlopig. Als een huis.

Eric Duivenvoorden: Een voet tussen de deur. Geschiedenis van de kraakbeweging 1964-1999. De Arbeiderspers, 300 blz. ƒ39,90

Ine Poppe en Sandra Rottenberg: De kraakgeneratie. 18 portretten van krakers uit de lichting 1955-1965.De Balie, 156 blz. ƒ39,50

Schrijverscollectief Bilwet: Bewegingsleer. Kraken aan gene zijde van de media. Met een voorwoord van Patrick van IJzendoorn. Ravage, 104 blz. Herdruk uit 1990. ƒ10,- (Te bestellen door ƒ10,- over te maken op giro 5859751 t.n.v. Vereniging Ostade Blade, Amsterdam)