Ooit was het hier

`De zee heeft geen geheugen; of houdt zich van den domme', schrijft Rudy Kousbroek in zijn nieuwste boek, In de tijdmachine door Japan. Kousbroek gebruikt tastbare plaatsen om het verleden te visualiseren. De zee is te ongrijpbaar om als tijdmachine te kunnen functioneren, maar het stilstaand landschap, of beter nog: huizen en andere door mensenhand gemaakte objecten daarin, kunnen dat wel. Het zijn in dit boek dan ook gebouwen, wegen, bomen, schepen of schilderijen die Kousbroek helpen naar een verdwenen Japan te reizen.

In de tijdmachine door Japan is Kousbroeks langverwachte Japanboek. Door de jaren heen hebben we al veel van zijn observaties over dat land kunnen lezen, maar het heeft lang geduurd voordat ze in duurzamer vorm uitkwamen. Het is inmiddels al vaak gezegd en het zal nog vaak gezegd worden in de loop van dit jaar: twee eeuwen lang, vanaf 1639, waren de Nederlanders de enige buitenlanders in Japan. Toch behoeft de ondertitel van zijn boek, `De Hofreis van het jaar 2000', misschien enige uitleg. Minder bekend is namelijk dat vanaf 1609 de Nederlanders jaarlijks, en na 1790 vierjaarlijks, een bezoek brachten aan de shogun om hem de verplichte geschenken te overhandigden. De reis voerde van Nagasaki, waar de Nederlanders op het eilandje Deshima geïnstalleerd waren, naar Tokyo, dat toen nog Edo heette, een reis die heen en terug toen zo'n drie maanden duurde.

De route en de halteplaatsen lagen vast alle 166 keer dat de reis gehouden is, vast. Kousbroek is in 1972 en in 1999 deze route nagereisd, waarmee hij voor de 167ste en 168ste keer een Nederlander het meer dan duizend kilometer lange, dode ritueel herhaalde dat hofreis heette. De tweede keer deed hij dat met de cineast Hans Keller en een televisieploeg; de film met dezelfde titel als het boek is inmiddels uitgezonden.

Het boek heeft een duidelijke boodschap: we beseffen te weinig wat voor een unieke wereld we daar in Japan onder handbereik hebben gehad. Met instemming citeert Kousbroek de opening van Pierre Loti's Madame Chrysantheme: de nauwe baai van Nagasaki is `een betoverde scheur' waardoor men het wonderland Japan kan binnenstappen, en laat-achttiende- en vroeg-negentiende-eeuwse `opperhoofden' als Isaac Tistingh (1745-1812), Hendrik Doeff (1777-1835) en Jan Cock Blomhoff (1779-1853) zijn de Peter Pans die ons kunnen leiden naar dat `verboden land, een Geheime Tuin waar de tijd stilstond.' Ze verdienen een standbeeld, zegt Kousbroek, en hij heeft gelijk: te lang is de Duitse arts Philipp Franz von Siebold (1796-1866) bewierookt als enige serieuze Japankenner die Deshima zou hebben voortgebracht.

Overlijdensakte

Het boek vraagt er dus om als bijdrage aan de discussie over Nederlands historische aanwezigheid in Japan gewaardeerd te worden, en dat geschiedkundige aspect maakt In de tijdmachine door Japan net een iets ander boek dan we van Kousbroek gewend zijn. Er zitten echte vondsten van de historicus tussen, zoals de overlijdensakte van een Nederlandse arts die in 1768 tijdens de hofreis overleed. Toch gaat dit boek niet zomaar over geschiedenis; het boek is zo gekleurd door Kousbroeks persoonlijkheid dat, om maar iets flauws te noemen, niet wordt benadrukt dat in die Geheime Tuin de tijd natuurlijk helemaal niet stilstond. Uiteraard weet ook de schrijver dat, maar bij zijn romantische waardering voor die uitzonderlijke getuigenissen is zo'n relativerend perspectief allicht net iets te pietluttig. Juist door die persoonlijke verovering van al dat materiaal klinken dan na 193 pagina's geestdrift van de scherpzinnige romanticus de verantwoorde slotopmerkingen van dit boek als een wat matte coda. Van mij had dit prikkelende boek persoonlijker mogen eindigen dan met de op zich juiste, maar neutrale vaststelling dat Japanners nieuwsgieriger waren naar Nederland dan omgekeerd en dat Nederland juist daardoor een belangrijke invloed heeft gehad op Japans ontwikkeling tot een moderne staat.

Anders dan Terug naar Negri Pan Erkoms uit 1995, Kousbroeks scherpe analyse van persoonlijke nostalgie toen hij zijn Indonesische geboortegrond opnieuw bezocht, is In de tijdmachine door Japan een studie naar wat misschien plaatsvervangende nostalgie genoemd kan worden. Wel vertoont de methode veel overeenkomsten. Kousbroek wisselt in beide boeken een haast grenzeloos vermogen tot ontroering af met boerennuchterheid. In beide reist hij oude routes opnieuw af, waarbij de eigen voetstappen precies moeten passen in de onzichtbaar geworden voetsporen van vorige reizen en elk detail betekenis moet krijgen.

`Het treurigste gevoel dat ik ken: de weg weten in een huis dat niet meer bestaat,' zei Kousbroek ooit. Toen had hij het over eigen huizen in Indonesië. Ook op zijn Japanreis is hij voortdurend bezig plaatsen terug te vinden waarvan hij de plattegrond goed kent maar die verdwenen blijken te zijn. Hier was het: dat is het gevoel waarnaar hij steeds op zoek is. Of: Wat ik nu zie, is ook vroeger precies zo gezien.

In de tijdmachine door Japan is daarmee een persoonlijk reisverslag over het verstrijken van de tijd geworden dat regelmatig wordt afgewisseld met historische beschouwingen, etymologische wetenswaardigheden of mijmeringen over wie es eigentlich gewesen ist, een beetje zoals Herman Melville in Moby-Dick de verhaallijn regelmatig even loslaat voor een verhandeling over een esoterisch onderwerp. De lezer wordt geconfronteerd met een koor waarin de stemmen van al heel lang overleden Nederlanders in Japan zich vermengen met de stem van de schrijver zelf. Het boek lijkt nooit echt bedoeld te zijn als een reconstructie van de oorspronkelijke hofreisroute, maar heeft, en misschien weet de auteur dat heel goed, veel meer weg van een eerbiedwaardig Japans genre. Dat genre heet zuihitsu of `het volgen van de penseel' en hield in de loop der eeuwen dat het midden tussen hoogstpersoonlijke overpeinzingen en geleerde compilaties.

Fortepiano

Wat vooral bijblijft zijn Kousbroeks tomeloze drang tot aanraken en zijn bewondering voor die paar echt nieuwsgierige Nederlanders voor hem. Pas wanneer hij zelf Siebolds fortepiano bespeelt of in zich in een originele draagkoets verbergt, terwijl Japanse schoolmeisjes onwetend van zijn tijdreis door dezelfde museumzaal lopen, pas dan is het verleden nabij. Huizinga's `historische sensatie' wordt door hem tot in het uiterste doorgevoerd. Dat aanraken heeft nog een ander aspect, het gaat gepaard met `die eigenaardige bedenking dat je er in Europa niet van zou opkijken, terwijl in Japan iets dat er nog hetzelfde uitziet als op een achttiende- of negentiende-eeuwse houtsnede bijna het karakter van een mirakel heeft, een blik in de prehistorie.' Dat in Japan nooit voor de eeuwigheid gebouwd wordt heeft daarmee zeker te maken, maar het valt ook niet los te zien van `het gevoel dat alles in Japan bedreigd wordt door iets onbegrijpelijks, een angstaanjagend monster dat alles opslokt en waar geen enkele bescherming tegen is.' Waar in Indonesië alle tastbare herinneringen aan vroeger opgeslokt worden door de jungle (overwoekerd ouderlijk huis, kamp of tankstation), daar verdwijnen in Japan resten van vroeger in een zwart gat. Ik ken inderdaad geen ander land waar zoveel bordjes staan met als tekst `hier was het ooit' in plaats van `dit is het dan'.

Het besef dat alles van historische waarde weerloos is, wekt van weeromstuit soms de verbazing dat er überhaupt nog iets bewaard is gebleven. Kousbroeks ontroering bij het zien van geschroeide boeken en overlevende tempels is er des te groter om: ze zijn gered uit de klauwen van de monsters Tijd en Noodlot. Elke keer weet hij die ontroering weer heel raak op te schrijven en dat is een kunst.

Wat Kousbroek, geheel terecht trouwens, ongelofelijk dwars zit is het bijna volledige gebrek aan nieuwsgierigheid bij de Nederlanders die twee eeuwen lang als enige westerlingen in Japan konden zijn. Op een enkeling na, zoals Titsingh of Doeff, heeft nauwelijks een Nederlander ooit iets opgeschreven over dat land. `Titsingh zelf heeft opgemerkt dat deze schaarste niet het gevolg was van omstandigheden; het was, zo schrijft hij, gewoon gebrek aan belangstelling.' In de tijdmachine door Japan is Kousbroeks tribuut aan diegenen die wel, net als hijzelf, altijd nieuwsgierig bleven.

Rudy Kousbroek: In de tijdmachine door Japan. De Hofreis van het jaar 2000. Meulenhoff, 200 blz. ƒ65,-