Ontsnapt aan oog, neus en mond

Max Ernst en Jean Dubuffet dweepten met `onaangepaste' kunst, want juist de gefnuikte geest was vrij, meenden zij. Een misverstand, volgens K. Schippers.

In het prentenkabinet en een bovenzaal van het Amsterdamse Stedelijk Museum wemelt het van de gezichten. Vrolijk zijn ze niet. Op een tekening van Jim Nutt heeft een vrouw een Picasso-achtige neus, zoals je die vroeger wel op een spotprent tegenkwam. Toch is het geen grappige voorstelling. Om de hals van de vrouw wemelt het van de zwarte driehoekjes. Een haaienvijver, de vinnen komen uit de huid tevoorschijn. Een jaar of wat geleden heb ik het werk van Nutt op een andere tentoonstelling gezien, maar waar? Even verder hangt een zelfportret van Erik Andriesse. Een vogel tikt met z'n snavel tegen de schedel. Misschien wil hij naar binnen.

Wat zijn de gezichten somber. Geen grapje kan er af. Bij Thierry de Cordier zijn dier en tekenaar in elkaar opgegaan. Zelfportret als regenworm laat geen mens meer zien. De dikke worm kruipt naar de verte. Een ander werk van De Cordier heeft Landschappeling. Het gezicht van een man is door een zwarte plant veroverd. Ogen, neus, mond en de andere gelaatstrekken zijn nergens meer te bekennen.

`Face to Face - werken op papier' heet de expositie. Ruim honderd (zelf-)portretten uit het Museum Overholland, dat eerst in een herenhuis aan het intussen zo fout verbeterde Museumplein was gevestigd. Nu is de collectie tekeningen van directeur Christiaan Braun met steeds andere deeltentoonstellingen in het Stedelijk te zien.

Het zijn geen gewone portretten waaraan je een heel verhaal moet ophangen over de stilistische verschillen, die doet het zus en die doet het zo. Je zoekt eerder naar de overeenkomsten. De tekeningen zijn virtuoos, dat geeft aan elke lijn nog iets luchthartigs. Maar er zit ook iets angstaanjagends in dit werk uit de tweede helft van de vorige eeuw.

Je eigen gezicht staat hier op het spel. Geen tekenaar legt zich bij de min of meer vertrouwde vorm neer. Co Westerik vermenselijkt een droef kijkende hond en Paul Thek geeft z'n eigen lijf de kop van een vleermuis met wijd opengesperde bek. De schreeuw bedenk je er zelf wel bij. Er schiet me een zin van de Franse schrijver Jacques Rigaut te binnen: ,,Met je hand over je gezicht strijken, de beklemmende angst daar geen neus meer te vinden, geen mond, alle gelaatstrekken uitgewist als op een tekening.'' Rigaut maakte er een eind aan toen hij dertig was. De dag van de zelfmoord had hij jaren eerder precies vastgesteld.

Hallucinaties

De haaienvijver van Jim Nutt. In een museum wijk je zelden uit naar een andere expositie, maar ik herinner me `Parallel Visions', die jaren geleden in Bazel werd gehouden. Daar deed Nutt ook aan mee. `Face to Face' hoort bij wat er toen in Bazel was te zien.

De samenstellers hadden voor `Parallel Visions' de ondertitel `Modern Artists and Outsider Art' bedacht. Nutt was net als Klee, Bellmer, Dubuffet en tientallen andere kunstenaars te rade gegaan bij de zogenaamde buitenstaanders, autodidacten, soms geestelijk gestoord, die in afzondering werken. Een link gebied, zou je zeggen, waar voorzichtigheid is geboden. Toch hebben de hallucinaties van deze `dwangmatige zieners', volgens de Zwitserse catalogus, liefst vijf generaties kunstenaars aangesproken.

Max Ernst had het over paranoia en schizofrenie als prettige gemoedstoestanden die ons in staat stellen te leven alsof de tijd niet meer bestaat. Zijn vriend André Breton legde er nog een schepje bovenop. Hij zou z'n leven willen wijden aan het openbaar maken van de eerlijke bekentenissen van krankzinnigen. Jean Dubuffet was zo gegrepen door hun werk dat hij er een nieuwe naam voor muntte, Art Brut, rauwe kunst. Zijn lievelingsboek was Bildnerei des Geisteskranken van Hans Prinzhorn. Dubuffet redigeerde zelfs een aantal publicaties met werk van buitenstaanders als de Zwitserse Adolf Wölfli en Heinrich Müller, die een groot deel van hun leven in een psychiatrische kliniek zaten.

Het thema dat in `Parallel Visions' werd aangestipt is onvergankelijk: het verlangen van kunstenaars als Dubuffet en Nutt naar wat je misschien het best het irrationele beeld kunt noemen, naar de ontsnapping aan een min of meer vertrouwde vorm. Ook de vijftig tekenaars in het Stedelijk laten hun onderwerp ontsporen. De bouw van het gezicht staat niet meer vast. De ogen, neus, mond en de andere oude bekenden krijgen iets toevalligs. Albert Oehlen vervangt het haar door het gewei van een eland. Een kop van Arnulf Rainer wordt door takken overmeesterd.

Je kunt zo'n versteld gezicht als een Spielerei opvatten. Daarvoor zijn de tekeningen te ernstig. In het Stedelijk ontbreken de buitenstaanders en toch moet je bij de meeste tekeningen aan hun werk denken. Bij hen is het beeld alleen catastrofaal ontspoord. Ze hebben geen keus en dat maakt het gedweep van Max Ernst en collega's met het zogenaamd spontane werk van krankzinnigen zo gemakzuchtig.

Waarom is deze niet te benijden wereld toch zo verleidelijk? Steeds weer worden kunstenaars er door aangetrokken, als motten door een kaarsvlam.

Het moet iets te maken hebben met het verlangen naar verandering, naar een gebied met alleen nog uitgangspunten; niets wordt daar voorgoed vastgelegd. Zo ziet een prent van een buitenstaander er op het eerste gezicht soms werkelijk uit. En toch is het een van de grootste clichés uit de vorige eeuw dat het werk van geestelijk gestoorden ons de vrijheid van beeld zou hebben gebracht. Het tegendeel is het geval. De leegte moet elke seconde worden bedwongen. Ieder plekje van het papier is gevuld. Of er nu een gezicht, een trein of een landschap is getekend, elk blad is streng geordend. Geen omgeving wordt gefilterd. Hoofd- en bijzaken zijn gelijkgeschakeld.

Zwarte schedel

In het Stedelijk wordt niet, als in Bazel, geflirt met de verkeerd ingeschatte vrijheid van een gefnuikte geest. Juist daardoor komt er iets vrij van het verschil tussen de tekenaars die de regie nog in handen hebben en de buitenstaanders die met hun voorstelling samenvallen.

Op een vlekkerig papier tekent Jean-Michel Basquiat met dikke lijnen een zwarte schedel, hier moeten we het mee doen, zo ziet de kop eruit. Luc Tuymans laat witte holtes uit een zwart hoofd opdoemen. Ook op andere tekeningen van Braun is het gezicht eerder een net ontdekte mogelijkheid dan een vaststaand feit. Gelukkig hebben deze koppen, als je ze met het werk van de buitenstaanders vergelijkt, nog iets concreets. Hoe afwijkend ze er ook uitzien, ze maken deel uit van de vertrouwde werkelijkheid.

In Madness and Modernism van Louis A. Sass (1992) geeft een buitenstaander betekenis aan het woord `ouders'. Hij zegt dat ouders mensen zijn die je opvoeden. Dan breidt hij het begrip uit. Ieder ding dat je opvoedt kan een ouder zijn. Mineralen, groente, alles waarvan je iets leert. Stenen, daar leer je soms iets van en dus kunnen zij je ouders zijn.

Als zelfs het geringste steeds van aanzien verandert, is je sturend vermogen verdwenen. Een op `Parallel Visions' getoonde prent van Adolf Wölfli is een plattegrond van Niezohrn. De over dit denkbeeldige eiland verspreide gezichtjes, die door notenbalken en andere gekleurde banen van elkaar zijn gescheiden, lijken een eerbetoon aan de verandering. Wie wat langer naar het eiland kijkt, ziet een mozaïek waaraan niets mag worden gewijzigd. De honderden in elkaar overlopende details zijn niet vrij, maar aan elkaar vastgeklonken.

Het luchthartige, dat ontbreekt. Misschien is dat, meer nog dan al die aangetaste gezichten, het eigenlijke onderwerp van `Face to Face'. De virtuoze potloodlijn waarmee de tekenaars aan de fatale vrijheid van de buitenstaanders weten te ontsnappen, hoe dicht ze soms ook bij hun gesloten wereld komen.

`Face to Face - werken op papier'.Uit de collectie Overholland, in het Stedelijk Museum, Amsterdam, t/m 18 juni.

Wat zijn de gezichten somber. Geen grapje kan er af

    • K. Schippers