Met rede begiftigde ziel

Hun heilige Ridvánfeest begon op 21 april en eindigt op 2 mei. Nederlandse Bahá'ís brengen in deze periode een bezoek aan de hoofdsteden van alle twaalf provincies. In een stationsrestauratie, op een kerkplein of in een school leggen ze uit wat de Bahá'í-religie inhoudt, ze exposeren boeken van hun boodschapper Bahá'u'lláh en onthalen de belangstellenden op koffie, thee of een feestelijke maaltijd.

Elke bezoekdag stellen de Bahá'ís een ander thema aan de orde. Vandaag in Assen is dat Arbeid in de geest van Dienstbaarheid. In de Drentse hoofdstad krijgen instanties die zich met dienstbaarheid bezighouden plantjes aangeboden en op straat doen de Bahá'ís huisvrouwen bloemen cadeau ,,als waardering voor al het werk dat ze onopgemerkt verrichten''.

In het Bahá'í-geloof staan eenheid en menselijkheid centraal, zegt Harry Koree van de Bahá'í Gemeenschap Nederland. ,,We beschouwen alle bewoners van de wereld als gelijken, ongeacht hun ras en cultuur. Allerlei vooroordelen die leiden tot oorlogen en regionale conflicten, proberen we uit te bannen. Dat doen we in samenwerking met, bijvoorbeeld, de Verenigde Naties en organisaties als Artsen zonder Grenzen, die we met ideeën en uiteraard giften ondersteunen.''

In hun informatiefolder staat dat Bahá'ís ,,in de zekerheid leven dat de mens een met rede begiftigde ziel heeft die individueel blijft leven in hogere sferen dan de vier dimensies van ruimte en tijd. (...) Wedergeboorte of reïncarnatie is niet de weg naar vervolmaking van het diepste ík. De mens is tot in alle eeuwigheid op weg naar zijn Schepper en zichzelf en zal zijn persoonlijkheid nimmer verliezen door iets anders te worden dan wie hij al is''.

De Bahá'ís zijn afkomstig uit alle culturen en religies – wereldwijd zijn er zes miljoen, Nederland telt er dertienhonderd. Ze geloven dat Mozes, Christus en Mohammed boodschappers van God waren, maar de Koningmessias is in hun ogen Bahá'u'llah. Ze schrijven in hun brochure dat ,,de media in de negentiende eeuw hebben zitten slapen, want er is destijds géén krantenkop verschenen in de trant van `Wederkomst van Christus in Perzië'.''

In 1852 werd de Perzische edelman Mirza Husayn-'Ali, toen 35 jaar oud, in een ondergrondse kerker bij Teheran geroepen door de Almachtige, zeggen de Bahá'ís. ,,En Hij gebood Mij Mijn stem te verheffen tussen hemel en aarde'', schreef Husayn-'Ali later. Daarna begon een ballingschap van veertig jaar die eindigde bij de berg Karmel in het heilige land, waar thans het hoofdkwartier van de Bahá'ís is gevestigd.

De sjah van Perzië en de sultan van Turkije streden tegen de charismatische edelman, die zijn goddelijke missie in 1863 in een prachtige tuin buiten Bagdad onthulde aan een schare volgelingen. Husayn-'Ali nam de naam Bahá'u'lláh aan, hetgeen `Heerlijkheid des Heren' betekent. Sindsdien zijn de dagen van 21 april tot en met 2 mei heilig voor de Bahá'ís: ze vieren de Ridván, het feest van het Paradijs.

De meer dan honderd werken, tal van meditaties en brieven die Bahá'u'lláh openbaarde, beschouwen de Bahá'ís als rechtsreekse informatie van God. Ze geloven dat de mensheid in het midden van de negentiende eeuw ,,volwassen'' is geworden.

,,God heeft destijds in de geschiedenis geïntervenieerd. Op weg naar de nieuwe wereldorde doorloopt de mensheid nu een laatste tumultueuze fase. Al het kwaad dat de mens kan aanrichten wordt nog één keer op de spits gedreven. De voorspelde Apocalyps is de realiteit van vandaag. Maar het staat vast dat de mensheid verlost zal worden van oorlog en onrecht'', melden de Bahá'ís.