Lessen uit een wreed universum

Welke gevoelens domineren het leven van een kersverse emigrant? Ik vermoed: nostalgie en vervreemding. Nostalgie naar de achtergelaten wereld, die ook de wereld van de jeugd is. Vervreemding tegenover de nieuwe wereld, waar de emigrant niets van begrijpt en die niets van hem begrijpt. Je hoeft zelf geen emigrant te zijn om dit te kunnen navoelen, zozeer ligt het voor de hand. Maar de Bosnisch-Amerikaanse schrijver Aleksandar Hemon weet er in zijn eerste verhalenbundel Wat is er toch met Bruno?, uitstekend vertaald door Babet Mossel, iets bijzonders van te maken.

Tussen nostalgie en vervreemding zit een ontbrekende schakel, en op die lege plek kan de verbeelding haar vleugels uitslaan. Niet om het oude en het nieuwe naadloos aan elkaar te lassen, de verbeelding leeft eerder van de breuk. In verhalen over de jeugdjaren in Bosnië, in verhalen over de eerste confrontatie met Amerika exploreert Hemon het eeuwige misverstand, dat beide verhindert bij elkaar te komen – behalve in de imaginaire ruimte van de literatuur, waar het misverstand niet langer een manco is maar in een kracht verandert.

Daardoor kunnen de losse verhalen van de bundel toch een eenheid worden. Telkens keren dezelfde motieven terug, telkens laat Hemon dezelfde namen opduiken in verschillende verhalen, als op den duur zeer grappig werkende running gags. Maar het gaat om méér dan literaire kunstgrepen, ze symboliseren de inspanning die de verbeelding zich moet getroosten om dit gebroken leven te lijmen. Het klinkt dramatisch en dat is het ook. Toch laat Hemons proza geen deprimerende indruk na. Dankzij humor en zelfspot geeft hij lucht aan het drama, maar doorslaggevend is iets anders: het simpele feit dát het verteld wordt.

`Wij'

In het langste verhaal, `Blinde Josef Pronek en de dode zielen', over een Bosnische emigrant in de USA die zich met slechtbetaalde baantjes in leven moet zien te houden en vecht tegen kakkerlakken terwijl in Sarajevo de oorlog uitbreekt, komt een – niet nader aangeduide – `wij' voor, waarin je zowel de schrijver als de lezer zou kunnen herkennen. Deze `wij' waakt over Proneks lotgevallen, zonder daarin in te grijpen. Verlossing is uitgesloten, maar het is wèl, om met Van het Reve te spreken, `gezien', `het is niet onopgemerkt gebleven'. Daarin schuilt de enige troost die de literatuur kan verschaffen. Want over gaat het niet, zoals blijkt uit de passage die de titel verklaart en waarin de grootmoeder van Proneks vriendin haar vermoedelijk in het concentratiekamp vermoorde echtgenoot Bruno nog altijd in leven waant. Ook een vorm van verbeelding trouwens die troost geeft.

In een ander, zeer aangrijpend verhaal (`Een muntje') keert hetzelfde mechanisme terug, maar dan zonder waan. Het verhaal bestaat uit de brieven, vol gruwelijke details, die een zekere Aida vanuit het belegerde Sarajevo aan een vriend in Amerika schrijft, afgewisseld met zíjn commentaar. Als haar brieven op zeker moment uitblijven, verzint hij ze. Want `dat was de enige manier om het beleg te doorbreken en met haar verbonden te blijven'.

In een van die verzonnen brieven laat hij Aida zeggen: `Je ziet alles scherp, maar je kunt niets bevatten'. Precies dat is de houding van Hemon in de hele bundel die vol messcherpe beelden staat, zonder dat ze zich volledig laten bevatten. Daarvoor is het universum waarin zijn verhalen zich afspelen te wreed en te ongerijmd. Om erin te overleven heb je de verbeelding nodig, en om overleven gaat het in deze verhalen. Van de strijd tussen dieren die de jeugdige verteller in `Eilanden' op het tv-programma Survival heeft gezien, tot de gewelddadige geschiedenis van het twintigste-eeuwse Joegoslavië en de Amerikaanse emigratie, waarin de personages zich moeten zien te redden.

In hetzelfde verhaal `Eilanden' vertelt een oom over zijn barre ervaringen in Stalins concentratiekampen, omdat de jonge verteller het moet `weten'. In de meeste andere verhalen woedt op de achtergrond de burgeroorlog of deze kondigt zich terloops aan, bijvoorbeeld in een zinnetje over de `trucks' die voortdurend passeren, terwijl de familie Hemon haar reünie houdt, met enige grootspraak `Hemoniade' genoemd. Het vertellen zit de Hemons in het bloed, zo blijkt, want in de familieverhalen gaat de stamboom zonder gêne terug tot de Ilias en de Antigone, waarin personages voorkomen die Hemon heten. En passant wordt zo de vermakelijke familie-mythe uitgespeeld tegen de heel wat minder onschuldige mythen die de burgeroorlog van ideologische brandstof voorzien.

Onnozele getuigen

Ook voor de geschiedenis met haar oorlogen en geweld geldt dat de Hemons haar wel zien, maar nauwelijks kunnen bevatten. Zij zijn eerder onnozele getuigen, zoals de overgrootvader die erbij zou zijn geweest toen Gavril Princip in 1914 zijn fatale schoten loste op aartshertog Franz Ferdinand en diens echtgenote. Telkens blijkt de grens tussen getuige en slachtoffer flinterdun, al bevat de bundel ook een zeer geestig, in losse flarden verteld verhaal (`Leven en werk van Alphonse Kauders'), waarin alleen de getuige optreedt. Alphonse Kauders heeft iedereen gekend, van Rosa Luxemburg tot Adolf Hitler, van Josef Stalin tot Richard Sorge. Maar wat op de anderen de meeste indruk heeft gemaakt, dat zijn Kauders' winden. Meer blijft er niet van iemand over, lijkt Hemon te willen zeggen, meer waarde heeft een getuige niet in de genadeloze tragi-komedie die geschiedenis heet.

Alphonse Kauders duikt wederom op, als een van de vele running gags die Hemon door zijn bundel heeft gestrooid, in het beste verhaal `Sorge's spionagenet', waarin geschiedenis en verbeelding op een verrassende manier samenkomen. De verteller, gefascineerd door de Sovjet-spion Richard Sorge die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Tokio op de Duitse ambassade werkte en Stalin vergeefs voor de Duitse inval waarschuwde, denkt dat zijn immer op reis zijnde vader ook een spion is. Op deze manier vult de jongen, met zijn fantasie, de `leegte' van zijn kinderjaren. Als zijn vader tenslotte echt gearresteerd wordt, blijkt dat alleen niet vanwege spionage te zijn, maar vanwege dissidentie in het communistische Joegoslavië van kameraad Tito.

In voetnoten vertelt Hemon de geschiedenis van Sorge, een ironisch spiegelbeeld van het verhaal over het jongetje en diens vader. Het meest ironisch is echter het slot, als de vader met een hersentumor uit de gevangenis wordt ontslagen en Tito overlijdt. `Nu zal het allemaal wel voorbij zijn', zegt papa. De laatste voetnoot beschrijft Sorge's executie in een Japanse gevangenis en besluit met de zin: `Het valluik zat in de vloer, pal onder zijn voeten'. Combineer je beide zinnen, dan heb je een paradoxale samenvatting van alle ellende die na Tito's dood over Joegoslavië is neergedaald.

Het is maar één voorbeeld van het subtiele vernuft waarmee Hemon zijn verhalen én zijn hele bundel in elkaar heeft gestoken. Dat Wat is er toch met Bruno?, zoals zijn uitgever trots vermeldt, nog vóór verschijnen aan twaalf landen is verkocht, suggereert dat we hier met een hype van doen hebben. Dat kan zijn. Maar het maakt wel alle verschil van de wereld of de hype een echte schrijver betreft of het soort opgeklopte nep, waarmee hypes het publiek gewoonlijk trachten te misleiden.

Aleksandar Hemon: Wat is er toch met Bruno? Verhalen. Vertaald door Babet Mossel. Meulenhoff, 255 blz. ƒ36,50

    • Arnold Heumakers